Avatāra

Betekenis

Het woord Avatar komt uit het Sanskriet (avatāra), wat letterlijk 'nederdaling' betekent. Ook spreekt men wel van een incarnatie. Incarnatie betekent belichaamd, maar omdat de Heer en de ziel in feite zelf eigenlijk niet incarneert en ongeboren van aard is, spreekt men daarom liever van verschijning of nederdaling in de stof (zie ook B.G. 2.20).

Avatāra houdt dus in dat er sprake is van een nederdaling van de Opperheer (zie ook B.G. 4.7-8). Er zijn twee hoofdcategorieėn: vibhūti- en aves'a/sākshad-avatāra's. De aves'a/sākshad avatāra's bestaan er in zes categorieėn (zie onder). Van vibhūti is sprake als een speciale gunst wordt verleend door de Heer. Ieder levend wezen dat bijzonder krachtig mooi, intelligent, welvarend, beroemd en onthecht is, kan men herkennen als een speciaal begunstigde ziel, een vibhūti-incarnatie (bijv. vertalers van Bijbels, ācārya's in de erfopvolging, bevoegde sannyāsī's en geļnitieerden etc.).

Een tweede algemene indeling is die in prabhāva eeuwige, vierhandige incarnaties van Vishnu, of ook wel de vier hoofdexpansies die Vāsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha heten, en de vaibhāva incarnaties, ofwel verschijningen van God die tijdgebonden zijn zoals b.v. de tweehandige gedaanten als de Mohinī, Vyāsa en Hamsa gedaante. Daarnaast zijn ook de Kūrma, Matsya, Nara-Nārāyana, Varāha en Hayagrīva vaibhāva incarnaties. Er zijn er in totaal 24 die vaibhava-vilāsa heten (cc Madhya 20.191 & C.C. 20 176). Sankarshana noemt men bijvoorbeeld prabhāva, maar Zijn manifestatie als Balarāma noemt men vaibhāva.

Classificatietermen

Bij het indelen van de verschillende avatāra's maakt men gebruik van de volgende basistermen:

  • prabhāva: eeuwige, vierhandige incarnaties van Vishnu
  • vaibhāva: tijdgebonden incarnaties ofwel verschijningen van God
  • prābhavav-prakās'a: vierhandig
  • vaibhava-prakās'a: tweehandig
  • cabbis'a: vierentwintig
  • vilāsa: expansies
  • prakas'a: Zijn (Krishna's) persoonlijke gedaanten
  • svayam rūpa: Krishna's persoonlijke gedaante
  • aves'a: indirecte verschijningen
  • vibhuti: speciaal begenadigde gewone zielen
  • tattva: werkelijkheid van, principe van
  • Vishnu-tattva: de status of de categorie van God, de werkelijkheid van Vishnu
  • Vishnu-tattva-avatāra: alle nederdalingen van Krishna in de stof als volkomen deelaspect met Zijn volle vermogen (in tegenstelling tot jīva-tattva: onvolkomen expansies met beperkt vermogen)
  • das'a: in tienen gedeeld (zie en beluister de bhajan: S'rī Das'āvatāra Stotra door S'rī Jayadeva Gosvāmī; Tien Avatāra's bezongen).
  • purna: volledig in eigen gedaante
  • ams'a: partieel in eigen gedaante
  • channa: bedekt, verborgen, onbekend
  • tad ekatma rūpa: in een andere vorm (b.v. viervoudig)

Wat betreft Krishna (Vishnu-tattva-avatāra) spreekt men van drie verschillende kenmerken van het verschijnen van Zijn bovenzinnelijke gedaante:
- svayam rūpa - Zijn persoonlijke gedaante in Vrindāvana. Dezen worden ingedeeld in vaibhāva en prabhāva. Zo waren de gedaanten van Krishna tijdens de rāsadans met de gopī's (herderinnetjes) en met zijn 16108 vrouwen prabhāva gedaanten (S.B. 10.33). Daarnaast is er een svayam prakas'a vorm.
- tad ekatma rūpa - een vorm die van Hem verschilt, zoals de met de viervoudige verschijning en alle viervouden van vormen daarvan afgeleid.
- aves'a rūpa - een verschijnen in een van Zijn eigen expansies of in een gedaante waarin hij is binnengegaan (s'akti-aves'a).

Vilāsa heeft betrekking op z.g. expansies. Prakas'a heeft betrekking op Zijn persoonlijke gedaanten. Prabhāva heeft betrekking op Zijn persoonlijke spel en vermaak in verschillende gedaanten en Vaibhāva heeft betrekking op zijn emotionele manifestaties. Van deze kenmerken zijn er verschillende combinaties. Voorbeelden:

  • Zo was de gedaante die Akrūra onderweg in het water zag (S.B. 10.39) toen hij Krishna en Balarāma naar Mathurā bracht prabhāva prakas'a.
  • De fluitspelende Krishna gedaante is een vaibhava prakas'a gedaante. Het is de tweehandige gedaante die Krishna voor zijn ouders aannam bij Zijn geboorte (S.B. 10.3) in de gevangenis of voor Arjuna op het slagveld (B.G. 11: 50).
  • Zoals Hij optreedt in Mathurā als een bestuurder die het van Kamsa overneemt, als een vedische edelman, heet die gedaante vaibhava vilāsa
  • Prabhava vilāsa zijn de (cabbis'a) vierentwintig gedaanten van Vishnu met telkens de attributen in verschillende handen.

Krishna en Zijn vele incarnaties
van de Oorspronkelijke Persoon
waarvan Jezus er ook een is.

Het begrip avatāra houdt dus in dat er of sprake is van een volkomen expansie van de Heer, of dat er een gevolmachtigd toegewijde ofwel een partiėle expansie of begenadigde jīva van de Heer is. Het is steeds een van de algemene (Super-)ziel naar het bijzondere van een bepaalde situatie toe verschijnende gedaante. Hierbij spreekt men van verschijnen in een deductief proces (ofwel avaroha, wat staat tegenover opstijgend proces van het bijzondere naar het algemene: aroha)

Er is ook sprake van Channa-avatāra's, welke een naam is voor de bedekte nederdalingen van Krishna in met name Kali-yuga waarin Hij optreedt als Zijn eigen toegewijde: Zoon, Profeet, en Sannyāsī (zie ook S.B. 7.9: 38). Dit in tegenstelling tot Zijn tri-yuga status waarin Krishna niet bedekt tewerk gaat, maar herkenbaar is als een persoonlijkheid die macht uitoefent. Tri-yuga is een omschrijving van Krishna als nederdalende (Vishnu-)avatāra in drie tijdperken. In het vierde tijdperk Kali-yuga is Hij dus channa: bedekt. Een voorbeeld van een typische channa-incarnatie (in Dvāpara-yuga) is die van Dattātreya (de zoon van Atri, een machtige yogi van Heer Vishnu, zie S.B. 11.9: 32), die men beschouwt als een partiėle ams'a incarnatie van Hem, verschijnend als een avadhūta (een heilig iemand van volledige verzaking, iemand die zich niet bezorgt om dingen van de wereld als kleding of zelfs maar schoon zijn); Hij wordt beschreven in S.B. 11.9 van het S'rīmad Bhāgavatam (zie ook S.B. 9.23: 24, S.B. 4.1: 15 en S.B. 4.1: 33). In dit Canto vormen de S.B. 7 t/m 29 een alternatieve (Uddhava) Gītā waarin Krishna zijn neef Uddhava uitlegt hoe Zijn liefde te leven in Zijn fysieke afwezigheid, dus na Zijn heengaan en als Hij daarna in Kali-yuga moeilijk te herkennen als een channa verschijning.

Opsomming van de zes soorten Aves'a/Sākshad Avatāra's.

Aves'a heeft betrekking op de indirecte manifestaties van de Heer en de sākshad avātara's zijn de directe manifestaties. De indirecte aves'a avatāra's zijn gevolmachtigde levende wezens als Nārada Muni, Buddha, Paras'urāma en Jezus. Ze heten ook wel s'akti-aves'a avatāra's. In het vaishnavisme heerst er verdeeldheid over dit soort indelingen. Een andere school (S'rī Vaishnavisme) spreekt van twee soorten: Purna en Ams'a. De purna avātara's zijn de incarnaties van Zijn volle vermogen als b.v. Nrisimha, Rāma en Krishna. Ams'a heeft dan betrekking op een partiėle incarnatie, dus een rechtstreekse manifestatie van Vishnu die niet het volle vermogen toont: de incarnaties b.v van Matsya en Paras'urāma. Weer een andere school (Madvacharya) zegt dat dit soort onderscheid tussen de ene en de andere Vishnu-verschijning leidt tot eeuwige verdoemenis. Ookal verschijnen ze verschillend, toch hebben ze allemaal hetzelfde vermogen. In de Purāna's is er prake van verschillende opsommingen. In de Garuda Purāna (1.86: 10-11) is er sprake van een tiendeling (de z.g. das'a-avatāra's, zie ook bhajan) en in het S'rīmad Bhāgavatam (1.3) is er een opsomming van tweeėntwintig stuks. Normaal gesproken spreekt men van zes verschillende typen van avatāra's. Ze komen allen direct of indirect uit (Mahā-)Vishnu voort:

- 1) Purusha,
- 2) Līlā,
- 3) Guna,
- 4) Manvantara,
- 5) Yuga, en
- 6) Shāktyaves'a.

1 Purusha (mannelijk principe) (Vishnu)-Avatāra's

Het persoonlijke en het onpersoonlijke van God samengebracht in het woord purusha, laat zich niet scheiden aangezien de term God het volledige van alle dualiteiten dekt als de verenigende categorie. Aldus is God zowel een persoon of integriteit van materieel leven, een Heer (Īs'vara), alsook onpersoonlijk het samenstel van het materiėle universum begrepen als Zijn gigantische gedaante genaamd de virāth rūpa (zie ook S.B. 2.1: 25) in Sanskriet, die tot leven kwam door het - mannelijke - principe van de tijd (kāla) en het causale krachtveld van de relatieve ether (ākās'a).

Van de Purusha-avatāra's zijn er drie, de drie Vishnu's:

De eerste expansies van Krishna als de Oorspronkelijke Persoon zijn expansies van Sankarshana. Het zijn drie verschijningen van Vishnu, die ieder betrokken zijn bij het scheppen, instandhouden en vernietigen van het stoffelijk universum. De drie primaire expansies van Heer Vishnu zijn:

  • Kāranodakas'āyī Vishnu (of Mahā-Vishnu) ligt in de Oceaan der Oorzaken en ademt de talloze universa uit en/of Vishnu, uit wiens poriėn alle universa verschijnen; (de heerser over de tijdruimte); (zie ook S.B. 3.11: De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend vanuit het Atoom);
  • Garbhodakas'āyī Vishnu gaat ieder universum binnen en schept verscheidenheid en/of voor ieder universum op een slangenbed gelegen en Heer Brahmā met de gehele verscheidenheid voortbrengend (de verpersoonlijking van de orde van de ruimte van het sterrenstelsel) (zie ook S.B. 3.8: Manifestatie van Brahmā uit Garbhodakas'āyī Vishnu);
  • Kshīrodakas'āyī Vishnu (de Superziel) gaat het hart binnen van ieder geschapen wezen en ieder atoom en/of voor iedere bestaansvorm lokaal aanwezig als het Paramātma (de Superziel, de transcendentale natuur van Krishna) of God in het hart; (met betrekking tot de 'kromme' ruimte rondom de zon en de planeten).

Ter verduidelijking van de genoemde drie Vishnu's hierboven is een omschrijving van het woord ether hier op zijn plaats. De ether is eigenlijk gewoon de lege ruimte die we normaal kennen als een begrensd krachtveld, zoals van de zon (de 'gekromde ruimte'), de melkweg (de etherische ruimte of de Kracht) of de bijzondere, niet begrensde en volgens Hubble's z.g. roodverschuiving van het lichtspectrum eindeloos uitdijende, intergalactische ruimte (de z.g. tijdruimte, ofwel de oorspronkelijke ruimte of ether - zonder de tijddifferentiatie van de lineaire v.s. de cyclische tijd - van de ongedifferentieerde materie van vlak na de oerknal, in het Sanskriet sedert jaar en dag de pradhāna geheten. De term ether (ākās'a) moet worden herinnert in de meest moderne zin van het woord, nl. als relativistisch: als het causale krachtveld dat in zijn werking verschilt naar gelang de ruimte die ermee beschreven wordt, d.w.z. een lokale, elementaire of planetaire ruimte, een universele galactische ruimte en de kosmische of tijdruimtelijk bepaalde oerexpansie van onze materiėle werkelijkheid. Het is zowel de doener als de degene die niet handelt in de zin van een niet-betrokken gelijkheid. Dit herinnert men zich vedisch (uit de Satvata tantra) als de drie soorten van Vishnu: Mahā-vishnu of Kāranodakas'āyī-vishnu, Garbodakas'āyī-vishnu en Ksīrodakas'āyī-vishnu. Vishnu moet worden beschouwd als de representatie van het element van de ether, net zoals de ether moet worden gezien als een manifestatie van Zijn werkelijkheid als de oorspronkelijke integriteit van God uit wie al het andere zijn bestaan vond zo bevestigt de Bhāgavata Purāna (S.B. 2.5: 25 en S.B.11.5: 19).

2 Līlā (spel en vermaak)-Avatāra's


Bhagavān Sathya Sai Baba

Ontelbare incarnaties soms kalpa-avatāra's genaamd omdat ze verschijnen in iedere kalpa, (kalpa: een dag volgens de tijdberekening van Heer Brahmā, bestaande uit duizend cyclussen van vier era's of mahā-yuga's ofwel 4.320.000.000 jaar) zoals Matsya, Kūrma, Rāma en Nrisimha, die nederdalen om in de stoffelijke wereld het geestelijk spel van de Persoonlijkheid Gods te ontvouwen. Tot de Līlā-avatāra's behoren:

In de moderne tijd vallen volgens velen de volgende Godspersonen ook in deze categorie:

  • 25 Jezus Christus (The Christ of India by Swami Nirmalananda Giri),
  • 26 Caitanya: (levenskracht) naam van de incarnatie van Krishna-bhakta in 1486 in Navadvīpa, West-Bengalen. Ook genaamd Mahāprabhu Krishna-Caitanya en Gauranga. Een avatāra die ± 500 jaar geleden in India verscheen om de mensheid te onderrichten in het yuga-dharma (de realisatiemethode die geldt voor een bepaald tijdvak of yuga) van onze tijd, te weten het chanten van de heilige namen van God, en te strijden tegen de verslechterende invloed van Kali-yuga (ook wel Tijdperk van de Redetwist of IJzeren Tijdperk). Hoewel Hij Krishna Zelf was, speelde hij de rol van Krishna's toegewijde, om ons te tonen hoe we onze liefde voor Hem tot leven kunnen wekken. Hij is hervormer van de vedische cultuur ter bestrijding van het valse gezag van droge boekenwijsheid en het kastenstelsel. In het westen ingezet tegen het impersonalisme en de filosofie van de leegte. De incarnatie van de Heer die in deze wereld neerdaalde om door middel van de sankīrtana-beweging te onderwijzen hoe men God lief moet hebben.

En in het huidige tijdgewricht beschouwen sommigen de volgende drie moderne goeroe's ook als authentieke Līlā-Avatāra's:

  • 28 Shirdi Sai Baba (1838-1918), (The Same Baba) Bron: Sathyam Sivam Sundaram - de biografie van Bhagavān S'rī Sathya Sai Baba door N. Kasturi.
  • 29 Bhagavān Sathya Sai Baba (Sathyanarayana Raju) - (1926-±2022); Twee uitspraken van Hem over Hemzelf:
- "This avatar has no destructive weapon in His possession, like the Kodanda (bow) of Rāma, or the Cakra (discus) of S'rī Krishna. He relies on education, rather than elimination; instruction rather than destruction. The good are encouraged to become better, the better to enter the region of the best and the blessed. The bad are encouraged to shed the coil of cowardice, which keeps them in fear."
- "Since I move freely among them, talking and singing, even intellectuals are unable to grasp my truth, my power, my glory, or my real task as Avatar. I can solve any problem however knotty; I am beyond the reach of the most intensive enquiry and the most meticulous measurement. Only those who have recognised my love and experienced that love can assert that they have glimpsed my reality. For the path of Love is the royal road that leads mankind to me."
  • 30 Bhagwan Shree Rajneesh (Osho - 1931-1990).

Tenslotte wordt er in de toekomst verwacht:

3 Guna-Avatāra's

De drie incarnaties die de drie geaardheden der stoffelijke natuur besturen.

Brahmā of Brahmājī: de Schepper. Halfgod. De verpersoonlijking van het creatief aspect van God; God als de Schepper. Vader van de Kumāra's (Catuhsana of de Kumāra's als Līlā-avatāra's) en alle overige levende wezens. Het eerste geschapen levend wezen en de secundaire schepper van het materiėle universum. De Ongeborene of uit zichzelf geborene. Er bestaan meerdere Brahmā's. Eerste levende wezen ontsproten uit Vishnu's navel. Zit op de lotus die de schepping is, m.n. op de berg Meru. Hij is het deelaspect van Vishnu en oorsprong van heer S'iva (zie ook S.B. 3.12). (De berg Meru is de centrale, bovenzinnelijk berg, de hoogste berg waarop Heer Brahmā zit. Hij ligt in Ilāvrita-varsha, het centrale gebied. Holistisch moet deze worden opgevat als het centrum van zowel de geestelijke als de materiėle wereld, dus zowel galactisch als het centrum van de melkweg als geestelijk als het hoogste wat men in bezinning en transcendentie kan bereiken).

Uit de oorspronkelijke Brahmā werden als zijn vertegenwoordigers onder de mensen de zonen: Marīci, Atri, Angirā, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, Daksha en de tiende, Nārada, geboren (S.B. 3.12: 22). Daksha, Nārada en Bhrigu niet meerekenend spreekt men ook wel van de zeven wijzen, die telkens per Manvantara weer van naam verschillen (zie ook S.B. 8.13).

Zie ook:

  • Heer Brahmā Steelt de Jongens en Kalveren (S.B. 10.13)
  • Brahmā's Gebeden tot Heer Krishna (S.B. 10.14)

Vishnu: God de behouder, heerser over de geaardheid goedheid. Zie verder de tekst onder 1 Purusha Avatāra's op deze pagina.

S'iva (ookwel gespeld als Shiva of Siva) of S'ambhu, heer S'iva als de weldoener, de goedgunstige: God der Vernietiging en heersende over de geaardheid onwetendheid. S'iva kwam voort uit Brahmā met méér eigenschappen dan zijn 'vader' zelf (zie S.B. 3.12: 7). Heer S'iva wordt vaak afgebeeld met trommel en japa (bidsnoer) als kosmische danser ten tijde van het einde van de schepping. Heer S'iva is bekend onder vele namen, waarvan hier een opsomming:

  • S'ankara: de brenger van voorspoed,
  • Bhava: van het bestaan,
  • Mrida: de mededogende,
  • Rudra: de gruwelijke,
  • Giris'a: de heer van de berg (Kailasa),
  • S'arva: hij die doodt met pijlen,
  • Mahādeva: de grote god.

Van Brahmā ontving hij eveneens de namen: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahan, Ritadhvaja, Ugraretā, Bhava, Kāla (eeuwige en cosmische tijd), Vāmadeva en Dhritavrata. In het S'rimad Bhāgavatam zijn een groot aantal hoofdstukken gewijd aan heer S'iva, waarvan hieronder een opsomming:

  • Daksha vervloekt Heer S'iva (S.B. 4.2)
  • Het gesprek tussen Heer S'iva en Satī (S.B. 4.3)
  • Brahmā stelt Heer S'iva tevreden (S.B. 4.6)
  • Het Lied Gezongen door Heer S'iva (S.B. 4.24)
  • Hoe de Ganges naar beneden komt (S.B. 5.17)
  • Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara (S.B. 8.7)
  • Heer S'iva Bidt ervoor Mohinī Mūrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer (S.B. 8.12)
  • Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikāsura (S.B. 10.88)

Brahmā en S'iva - Gebed van Satyā (Nagnajitī) aan Heer Krishna: (S.B. 10.58: 37): Hij van Wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit (Brahmā) en de meester op de berg (S'iva) tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de stelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij (er weer is en) een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?'

4 Manvantara-Avatāra's

Manvantara: een periode van Manu waarvan er veertien in een dag van Brahmā gaan. Van de avatāra's die verschijnen gedurende de regeerperioden van de Manu (verpersoonlijking van Krishna als de bestuurder, Vader en wetgever der mensheid) (S.B. 8.1), bekend als de Manvantara-avatāra's of ook wel Vaibhava-avatāra's, zijn er bijgevolg veertien:

5 Yuga-Avatāra's

Avatāra's die in de vier verschillende yuga's bij de overgang van de ene naar de andere yuga verschijnen om de geėigende zelfverwerkelijkings-methode voor het betreffende tijdvak te verkondigen.

  • Rāma (einde van Tretā begin Dvāpara),
  • Krishna (einde van Dvāpara begin Kali),
  • Kalki (einde van Kali, begin Satya).
  • In Satya heeft Hij als een celibatair voorafgaande aan Tretā yuga een vierarmige gedaante met samengeklit haar, kleding van boombast, en een zwart hertenvel. Hij is er dan voor de meditatie. In verschillende namen al naar gelang de aard van de toewijding noemt men Hem Hamsa, Suparna, Vaikunthha, Dharma, Yoges'vara, Amala, Īs'vara, Purusha, Avyakta en Paramātmā (zie betekenisverklaring (S.B. 11.5: 21-23).

De vier yuga-avatāra's zijn: (1) sukla (wit) in Satya-yuga (S.B. 11.5: 21), (2) rakta (rood) in Tretā-yuga (S.B. 11.5: 24), (3) s'yāma (donkerblauw) in Dvāpara-yuga (S.B. 11.5: 27) en (4) algemeen krishna (zwart) maar in speciale gevallen pīta (geel) zoals Caitanya Mahāprabhu in Kali-yuga (S.B. 11.5: 32 en S.B. 10.8: 13).

6 S'aktyāves'a-Avatāra's

Dezen worden ingedeeld in (1) gedaanten van goddelijke verzonkenheid (bhagavad-āves'a), zoals Kapiladeva of Rishabhadeva en (2) goddelijk gevolmachtigde (s'aktyāves'a), van wie er zeven meest vooraanstaand zijn:

  • 1 S'esha Nāga in de Vaikunthha wereld, gemachtigd dienst te verlenen aan de Allerhoogste Heer (sva-sevana-s'akti),
  • 2 Anantadeva, gemachtigd de werelden te dragen van het universum (bhū-dhārana-s'akti),
  • 3 Heer Brahmā, gevolmachtigd met de energie de cosmische schepping tot stand te brengen (srīshthi-s'akti),
  • 4 Catuhsana, of de Kumāra's, speciaal gemachtigd de bovenzinnelijke kennis te verspreiden (jńāna-s'akti),
  • 5 Nārada Muni, gemachtigd de toegewijde dienst te verbreiden (bhakti-s'akti),
  • 6 Mahārāja Prīthu, speciaal gevolmachtigd om over de levende wezens te heersen en ze te handhaven (pālana-s'akti),
  • 7 Paras'urāma, speciaal gevolmachtigd de schurken en demonen te vernietigen (dushtha-damana-s'akti).

Jezus Christus, maar ook Swami Prabhupāda en de profeet Mohammed worden door sommigen gezien als een soort van s'akti-āves'a avatāra's.

Citaten uit de Geschriften

(B.G. 4.7-8):
7 Waar en wanneer er ook maar een afname is van de rechtschapenheid en het onrecht overweegt, o nakomeling van Bharata, manifesteer ik mezelf op dat moment. 8 Opdat zij die dorsten naar de waarheid een leven mogen hebben en de onverlaten een halt wordt toegeroepen, verschijn ik, generatie na generatie, ten tonele met de bedoeling de weg van de menselijke principes van de waarheid, de zuiverheid, de boete en het geweldloze mededogen opnieuw te vestigen.

(S.B. 1.3: 26-29):
26 "O tweemaal geborenen, uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. 27 Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajāpati's (de stamvaders) zijn aspecten van de Heer. 28 Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer (Bhagavān) in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel (Indra). 29 Diegenen die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld.

(S.B. 5.18: Gebeden tot de verschillende Avatāra's)

(S.B. 9.24: 58-60):
58 Wat Hij ook in gang zet middels de materiėle energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de (materialistische) werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ('het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en B.G. 13: 20-24). 59 Met de militaire macht die met hoge onkosten door de, eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte, onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen (zie ook S.B. 1.11: 35, S.B. 3.3 en S.B.7.9: 43). 60 Zelfs voor de geesten van de heersende persoonlijkheden der verlichting (Brahmā en S'iva) gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, aan de dag legde met Sankarshana (Balarāma), het begrip te boven.

(S.B. 10.8: 12-15):
12. S'rī Garga zei: 'Deze hier inderdaad is de zoon van Rohinī die met Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten er is voor het genoegen van al de Zijnen en om die reden Rāma zal heten; zo ook zal Hij bekend staan als Bala vanwege Zijn buitengemene kracht en zal Hij voor het feit dat Hij de beide families verenigt (van Nanda en Vasudeva, zie ook S.B. 10.2: 8) ook wel Sankarshana heten (de samenbrenger). 13 Er zijn drie kleuren die uw zoon heeft aangenomen in het aanvaarden van gedaanten overeenkomstig de yuga: wit, rood alsook geel en nu is Hij Krishna (donker van kleur). 14 Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vāsudeva. 15 Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten naar de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik ben daarvan op de hoogte, maar de gewone man weet het niet.

(S.B. 10.49: 28):
28. Op welke manier zou ooit een persoon kunnen ontsnappen aan dat wat beschikt is door de Heer die, om de last van de aarde weg te nemen, is nedergedaald in de Yadu-familie?

(S.B. 10.50: 9):
9. Dit is de bedoeling van Mijn nederdalen: dat de last van deze aarde wordt weggenomen, dat de geheiligden ten volle beschermd zijn en dat zij die tegenstreven de dood vinden.

(S.B. 10.59: 29):
29. U, verlangend te scheppen, o Meester, doet Zich kennen als zijnde Ongeboren (als Brahmā), neemt voor de vernietiging de onwetendheid op U (als S'iva) en bent voor het behoud (gemanifesteerd als) de goedheid (met de Vishnu-avatāra's) van het Universum (maar niettemin bent U) niet overdekt (door deze geaardheden), o Heer van Jagat (het Levende Wezen dat het Universum is). Hoewel U Kāla (de tijd), Pradhāna (de oorspronkelijke staat der materie) en Purusha (het volledige als de oorspronkelijke Persoon) bent bestaat U er niettemin onafhankelijk van.

(S.B. 10.63: 27):
27. U met verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies ten uitvoer te brengen van goddelijke aard (līlā's) teneinde de godsbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar last te verlossen (zie ook B.G. 9.29 en B.G. 4.8).

(S.B. 10.63: 38):
38. U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U, terwille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, evenzogoed waargenomen in de uiteenlopende transformaties (van de verschillende levensvormen, goden en avatāra's) van Uw begoochelende vermogen.

(S.B. 10.69: 17):
17. S'rī Nārada zei: 'Het wekt in het geheel geen verbazing dat U vriendschap toont voor de mensen, o Almachtige Heerser van Al de Werelden die de afgunstigen onderwerpt, daar U, alom geprezen, er bekend om staat uit eigen beweging te zijn nedergedaald voor het hoogste goed van de continuering en de bescherming van het Levende Wezen.

(S.B. 10.70: 27):
27. U, de heersende autoriteit van dit universum, bent nedergedaald met Uw expansie (Balarāma) om hen die zich heiligden te beschermen en de slechten te onderwerpen; we begrijpen niet, o Heer, hoe iemand anders die in overtreding verkeert met Uw wet (zoals Jarāsandha) of anders op gezag van zijn eigen creativiteit (zoals wij) ooit zoiets zou kunnen bereiken.

(S.B. 10.70: 39):
39. Hij die voor de individuele ziel in samsāra, die geen bevrijding weet uit de problemen die het materiėle lichaam met zich meebrengt, met Zijn avatāra's voor Zijn spel en vermaak Zijn eigen toorts van roem ontsteekt; U, die Heer, benader Ik voor mijn toevlucht.

(S.B. 11.4: De Handelingen van Nara-Nārāyana en de Andere Avatāra's Beschreven)

(S.B. 11.13: De Hamsa-avatāra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmā)

(S.B. 11.31: De Hemelvaart van Krishna)

(S.B. 12.10: S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mārkandeya Rishi)

(Krishna en de Zingende Filosoof 4.7-13):
Natuurlijk is er maar één echte avatāra en dat is degene die (met consorten) Vishnu-tattva is. In het Nederlands: de nederdaling van de Oorsponkelijke Godspersoon als de werkelijkheid van Heer Vishnu. Men kan Hem onderscheiden door controle op Zijn volheden: heeft Hij alle mystieke vermogens (de siddhi's), is Hij van verzaking, is Hij vol van Zijn roem, is Hij de schoonheid toegedaan en de schoonheid zelve, is Hij vermogend in beschikking over al het nodige, is Hij in staat om blindelings uit alle heilige geschriften te kunnen citeren? Zo ja, dan hebben we met het spel en vermaak van een avatāra van Krishna te maken. Er kan er altijd maar één tegelijk op de wereld zijn, tezamen met Zijn Godsbroeder nummer één die ook Bhagavān is. In moeilijke tijden kunnen we volgens dit vers op Hem rekenen.

De tekening hierboven van vierentwintig Vishnu-incarnaties is van de artiest Dhirendra Jha.

Zie ook

Externe Links

Categorie: Lexicon| | Artikelen


Deze pagina werd sedert 22 januari 2009 835 keer bekeken.