![]() |
![]() |
![]() |
'Er
is het heil van de wereld, Een
Kleine Filosofie van de Vereniging Door:
A.M. Inhoud:
-
Het
probleem:
gevangenschap Aanbevolen
studiemateriaal Drs.
R.P.B.A. Aadhar Meijer Als je
leven een leugen is, als je het
één zegt en het ander doet, dan
ben je in jezelf verdeeld. Wat heeft het voor
zin je dit voor te houden? Die kennis van je
strijdigheid biedt je een keuzemogelijkheid,
een kans te ontsnappen. Het is, in het
materiële bestaan verdeeld zijnde, alsof
je in een gevangenis zit. De gevangenis van
je eigen onwetendheid; een gevangenis van
slechte gewoonten, van conditioneringen,
automatismen, dingen die je overkomen van
jezelf, dingen waar je steeds tegen oploopt,
maar geen controle over hebt, die dwangmatig
zijn en angst geven als je ze loslaat.
Ware kennis
is onverdeeld, is niet intern met zichzelf in
strijd, is niet verdeeld tussen een waarheid
die je zegt en een waarheid die je doet...
want die discrepantie is wat we onwetendheid
noemen. In onwetendheid zeg je in woorden
waar je voor staat, wat je wilt, maar in de
praktijk doe je wat anders: je weet niet hoe
je je bedoelingen in daden moet omzetten. Dat
is onwetendheid. Enkel maar kennis, maar geen
daden, geen echte wetenschap. Enkel maar
goede bedoelingen, maar voor het lichaam is
er geen gehoorzaamheid, geen gezag, geen
orde, en dus ook geen succes. Zo kan de
situatie van de moderne mensheid worden
omschreven als die van onwetendheid: we weten
van allerlei oplossingen, compensaties vaak,
en problemen, maar weten niet echt dat in
daden om te zetten op zo'n manier dat er geen
oorlog of vervreemding, armoede en ellende
meer is. Onwetendheid is een deel van ons
leven en we moeten er steeds tegen vechten.
In feite heb je met het onvermogen tot
handelen geen beheersing, maar wordt je
beheerst door de impulsen van buitenaf en
rationaliseer je slechts je onvermogen weg:
je bent, vicieus gevangen, de slaaf van je
zintuigen, je wordt geleefd en zit dan ook
snel bij de onvermijdelijke teleurstellingen
en tegenvallers vol wrok jegens de
buitenwereld die jij dan verantwoordelijk
stelt: je vriend of vriendin, je vrienden, je
politieke partij, de regering of gewoon maar,
makkelijk, geef je je vijanden de schuld,
want dat blijkt dan het
makkelijkste. Ware kennis
is dus kennis die, niet meer onwetend,
overeenstemt met wat je doet, je doet wat je
denkt en denkt wat je doet: je bent een
bakker en bakt brood, je bent een schrijver
en schrijft, je bent een huisvrouw en doet de
huishouding, je bent ongesalarieerd en doet
vrijwilligerswerk. Dat alles is dan ware
kennis, je weet wie je bent en je gedraagt je
ernaar. Maar zo gesteld is ook een crimineel
van ware kennis, je bent een moordenaar en je
moordt, je bent een dief en je steelt, je
bent een sociopaat en je benadeelt anderen
voor je eigen genoegen. En met dat laatste,
dat pathologisch zelfzuchtige van de
misdadiger, kan je het verband zien tussen
rechtschapen zelfzucht en zelfzucht die tegen
de wet ingaat. Zelfzucht is het grijze gebied
tussen recht en onrecht; de manier om af te
glijden in duisternis enerzijds en de manier
om uit de verstriktheid in het onrecht en de
bijbehorende ondeugd omhoog te klauteren naar
het licht der ware kennis anderzijds:
verbeter de wereld, begin bij jezelf. Ware
kennis is inderdaad doen wat je zegt en
zeggen wat je doet, maar impliceert dus ook
deugd en recht, om niet de ware kennis van
het duister te zijn. Want waarheid was nog
geen licht. Als je waarheid en licht met
elkaar verbindt krijg je de ware kennis van
de verlichting die staat tegenover de ware
kennis van het duister dat resulteert uit de
zelfzucht van de ondeugd en het onrecht. In
de verlichting zie je het licht van de
waarheid van de vereniging met de ander die
samen met jou een samenleving vormt, van de
ander die geen vreemde voor je is, maar meer
een evenknie van maatschappelijke
dienstbaarheid. In de verlichting zie je het
rechtvaardige van het onzelfzuchtige dat het
belang van de ander als het belang herkent
van zichzelf. Dan mag je ook spreken van ware
intelligentie. Ware kennis, ware
intelligentie, is, enger bezien dan, de
waarheid, de niet-repressieve filognostische
waarheid en intelligentie van de verlichting,
van de kennis die resulteert uit
onzelfzuchtigheid en rechtschapenheid.
Zuiveren:
verlichting en bevrijding Om de
leugen te bestrijden die je gevangen houdt in
interne strijdigheid en een gebrek aan
vereniging, moet je zuiveren. Dat vuil moet
weg. Die voorkeur die je op het verkeerde
spoor zet moet worden bestreden. Die keus
voor de zelfzucht die afglijdt in de richting
van de duisternis moet je uit je hoofd zien
te zetten, die vorm van onrecht waarmee je
een ander uiteindelijk benadeelt moet je
overwinnen: dat is de hogere intelligentie.
De gevangenis van in feite slechte gewoonten,
waarin je bent opgesloten en waardoor je
wordt geleefd, is een vorm van bezetenheid;
uit die gevangenis moet je bevrijd zien te
raken. Aanvaard je met de verlichting het
onzelfzuchtige en de rechtschapenheid, dan
zoek je bevrijding, dan kom je ervoor in
aanmerking om bevrijd te raken. De
verlichting is de bestaanstoestand
resulterend uit het opgeven van de slechte
gewoonten van de zelfzucht en het onrecht, de
bevrijding is de praktijk van de dienst
eraan; dat waarmee de leugen van enkel maar
weten en niet doen ten einde komt.
Verlichting zonder bevrijding is dan een
leugen: mooie woorden, het is wel lekker met
jezelf, maar je gedraagt je er niet naar, je
draagt het niet uit in je gedrag; en
bevrijding zonder verlichting is enkel maar
een oefening, een baantje, een manier van
doen die je je laat aanleunen, waar je zonder
het afzweren van de zelfzucht alleen maar
hypocriet en onrechtvaardig mee bent. De
bevrijding moet de praktijk van de
verlichting zijn; het is gewoon concreet
onbaatzuchtige arbeid ofwel
vrijwilligerswerk, werken voor een goed doel
zonder er zelf beter van te willen worden
economisch of anderszins; het is je genade,
je offer, je kruis... het is mogelijk omdat
je de verlichting al vond en die uit
mededogen, uit verlicht eigenbelang, in de
wereld wilt brengen. Bevrijding
berust op het gelijkheidsbeginsel. "Voor God
zijn we allen gelijk". Bevrijding in
gelijkheid geeft verbroedering. Ook al zijn
we verschillend van aard en dienstbaarheid,
toch, in de onbaatzuchtige dienst, in het
vrijwilligerswerk, zijn we gelijken evenveel
waar en waard in relatie tot het ideale, het
volledige, het geheel van normen en waarden
en personen waar we vaak God en godsbewust
tegen zeggen. Het woord van God staat dan
voor de werkelijkheid van het geheel van
positieve menselijkheid waar we alleen maar
respect voor kunnen hebben en dat we nooit
helemaal kennen kunnen. Het geheel is meer
dan de som van de delen. Zo is God meer dan
de som der menselijkheid. Het is, met alle
levende wezens en alle werelden als de
schepping of belichaming van God erbij
inbegrepen, iets waar je in moet geloven,
iets dat steeds weer nieuwe verrassingen te
bieden heeft, steeds blijft fascineren,
steeds verbindt, dat alwetend,
alomtegenwoordig en almachtig is als het
Goddelijke, als de verzameling van al het
goede, gedrevene en stabiele. Het is dan ook
de bedoeling van de bevrijding om God en de
persoon van God, die je zelf ook bent, te
dienen. God als het geheel van alle personen
van God kan dus in feite geen enkele
vereniging van religie buitensluiten. Doen we
dat met het idee van God wel, dan zijn we
weer zelfzuchtig, onverlichterzake,
enggeestig uit op het 'ik en mijn' van de
religieuze groepering in kwestie, van het
groepsego dat, moreel bezien, ook wel het
superego wordt genoemd.
Met het
komen tot de bevrijding staan we voor de
opdracht God en de persoon van God verenigd
te dienen en daarmee ook zelf gediend te
zijn. God kennen als het ware zelf van de
klassieke normen - zoals b.v. niet te veel
eten of slapen en een bepaalde hoeveelheid
geld afstaan aan de, hopelijk godsbewuste,
regering - en waarden als waarheidsliefde,
zuiverheid, boetvaardigheid en mededogen,
vormen op zich niet zozeer een probleem als
wel het respecteren van de persoon in het
algemeen en die van God in het bijzonder. Met
de gewone persoon, en de persoon van God ook,
scheppen we makkelijk ongelijkheid: heiliger
dan jij, voorrechten, status- en
inkomensverschillen... en woekeren we met het
voordeel van de twijfel in het egocentrisch
concurrerende veroordelen van anderen. Dat
willen we in principe niet, maar toch kunnen
we ook niet ontkennen dat de persoon in het
algemeen en de persoon die je zelf bent, van
God of niet van God, wel gerespecteerd en
gerepresenteerd móet worden, wil je
van een gezonde samenleving spreken. De
dualiteit in kwestie is die van het
persoonlijke versus het onpersoonlijke. Zoals
met alle polariteitenkwesties komen we er
niet door ten gunste van het ene het andere
te ontkennen. Met de juistheid van het ene
krijg je de juistheid van het andere, zo
werkt de polariteit, het complementaire nou
eenmaal - dat is de glorie van het dualisme;
ze vormt, wetenschappelijk zuiver, een
wederzijds constructieve vereniging. Er is
zowel stof als geest, er is zowel individu
als groep, er is zowel het persoonlijke van
God als het onpersoonlijke aspect van de Tijd
en met de Tijd dat God ook is. De persoon
kennen we bij zijn naam en zo kennen we vele
personen, niet alleen de leiders, de
voorgangers, de helden der religie zoals
Râma, Krishna, Boeddha, Jezus en
Mohammed, maar ook de heiligen, de geleerden,
de filosofen, de wijzen, de priesters en de
vromen, de deugdzamen, godvruchtigen,
gelovigen, en de boetvaardigen of de
waarheidlievenden. Dezen allen verenigd in
God zijn delen en gehelen, expansies of
nederdalingen van God die ook wel halfgoden,
goden, titanen of incarnaties worden genoemd
vanwege hun eeuwige kwaliteit, hun eeuwige
ziel die dan weer wel en dan weer niet in de
materie belichaamd of vertegenwoordigd is. Zo
heb je dan zielen die altijd bevrijd zijn in
hun dienst aan God en min of meer de goden
zijn en zielen die altijd maar gebonden zijn
in hun vereenzelviging met het lichaam met
alle problemen van gevallen en verstrikt zijn
die daar bij horen. Omdat God leren dienen
een proces is van geleidelijk vorderen op het
pad, is dit laatste onderscheid van zielen in
feite een dualiteit eigen aan iedere ziel
apart; iedere ziel die individueel meer of
minder van de strijd van het lichamelijk
egobelang is, dan wel van de bevrijding in
onbaatzuchtig
handelen. De
noodzaak van het juiste
onderscheid Willen we
deze kwestie tot een goed einde brengen
filosofisch, dan zal er een onderscheid
moeten worden gemaakt dat in eerste instantie
het ware en het valse duidelijk maakt. Als
zijnde waar noemen we dan onderscheidingen
die van nature en van God, van de gelijkheid
in vereniging, onherroepelijk duurzaam en
onvermijdelijk zijn en bovenzinnelijk of
transcendentaal, onzelfzuchtig van aard zijn.
Ze heten dan moreel juist onderscheid of
wetenschappelijk waardevrij onderscheid, een
onderscheid zonder een duidelijke voorkeur
voor de één ten nadele van de
ander. Niet waarachtig, niet werkelijk, niet
wezenlijk, noemen we onderscheidingen die
samenhangen met de tijdgebonden menselijke
baatzucht, de willekeur en identificatie van
een afgescheiden religieus, politiek, ethisch
of maatschappelijk ego, en die dus
herroepbaar en te vermijden zijn als zijnde
niet essentieel voor de ziel. Zo heb je dan
absolute, d.w.z. niet te vermijden, en
relatieve, wel te vermijden,
onderscheidingen, ongeveer zoals je het
verschil tussen data hebt en weekdagen op
één en dezelfde kalender. Tot
de absolute, de ware, behoren leeftijd en
beroep. Dit omdat enerzijds veroudering een
onvermijdelijk iets is essentieel voor wat we
noodzakelijke wijsheid of levenservaring
noemen, en anderzijds de stratificatie van
een maatschappij in verschillende functionele
lagen of beroepsgroepen eigen is aan de
natuur van de samenlevende mens en, absoluut
noodzakelijk, zich voordoet ongeacht het ras
of de cultuurkenmerken. Daarentegen vormt een
verschil in huidskleur of vorm van de
schedel, dat een natuurlijk gegeven is, of
een politieke overtuiging of religieuze
voorkeur welke een cultureel gegeven is nog
geen absoluut, niet te vermijden gegeven.
Huidskleur is niet essentieel en is als
natuurlijk feit makkelijk te negeren zonder
in maatschappelijke chaos te vervallen, en
van religie of politieke partij kan men naar
believen wisselen en ook niet zeggen dat een
dergelijk onderscheid onvermijdelijk of perse
noodzakelijk zou zijn. Zo kan je stellen dat
een religie een cultuurafhankelijk relatief
iets is, dat, onverlicht, vals of onwaar is,
terwijl de spirituele basis ervan in
principes een absoluut iets is waar we niet
buiten kunnen als we ons mensen willen
noemen. Het onderscheid wordt dus gevormd
door de regel der noodzakelijkheid. De
noodzaak, de principes, voorbij zijn we niet
meer van God, maar van zot. Meer geld dan je
nodig hebt, meer eten dan je nodig hebt, is
allemaal zotsdienst, de vijand van de
spiritualiteit, net zoals de ene godsdienst
of dienst aan God in ontkenning van de andere
verdwazing is, een vorm van zotheid vormt in
het miskennen van het verenigd zijn in de
gezamenlijke godsgeschiedenis of ervaring van
de mensheid in relatie tot God. Als we onze
plaats niet weten zijn we zotten, dat is een
manier om het identiteitsvraagstuk te
omschrijven. Identiteit:
statusoriëntatiegroepen Het
inbegrip van de ervaring en het
abstractieniveau Als we acht
niveaus van abstractie hanteren naar de
wetenschap van de overstijging zoals vanuit
India overgewaaid naar het Westen en die
bekend staat onder de naam van de achtledige
bewustzijnsvereniging (ashthânga-yoga)
die bestaat uit: en als we
drie graden van ervaring onderkennen naar de
drievoudige natuur van God in de zin
van: krijgen we
zo vanuit de ziel betrokken, vanuit het
alomvattende Zelf, waardevrij, een
differentiatie met mensen in
driehonderdvierentachtig verschillende
posities, waarmee van een afdoende orde van
onderscheid om in vereniging de identiteit
van een persoon recht te doen kan worden
gesproken. En dat op een manier waarvan we
kunnen zeggen dat die zo dicht mogelijk staat
bij de godsidee van vereniging, van eenheid
in verscheidenheid zoals ook het motto van de
Europese Unie luidt. - De
verzakingsregels zijn er voor het beheersen
van de lustmotieven met een - naar ervaring
opeenvolgend - ervaren van: - De
naleving doet zich dan kennen in een zekere
oefening van het lichaam zoals het regelmatig
een vrije dag hebben b.v. om - weer opvolgend
naar ervaring: - De
houdingen van lichaamsbeheersing nemen dan de
gedaante aan van een bepaalde
uitvoeringspraktijk waarin men: - De
adembeheersing vindt concreet plaats in het
sociale van: - De
verinnerlijking treedt naar voren in het
bieden van de helpende hand in
het: - Het zich
concentreren doet men concreet in de dialoog
waarin men: - Het
mediteren laat zich herkennen in het
begrijpen dat zich onderscheid
door: - Het
hoogste niveau van abstractie in
verzonkenheid beweegt zich in de primaire
geaardheden van het: Zo neemt de
vereniging van de mens die zich onderscheid
in al zijn activiteiten concreet gestalte aan
op de verschillende niveaus van
abstractievermogen waarin hij ervaring opdoet
om van zelfbewustzijn via een creatieve
ego-ontwikkeling tot de wijsheid van een goed
geïntegreerde menselijkheid, of
omgekeerd, nederdalend, van wijsheid tot
zelfbewustzijn te komen. Ook is zo duidelijk
waarom op ieder niveau het hele proces moet
worden doorlopen om de corruptie van een
eenzijdige ontwikkeling in zelfrealisatie,
ego en wijsheid te voorkomen. Zo kan een
bezinning en opstijgen in zelfrealisatie
volkomen onwijs en wereldvreemd zijn, een
ego-ontwikkeling ten koste gaan van de
primaire zelfverwerkelijking en ook de
goedheid, en een opklimmen in wijsheid een
droge oefening in filosofie zijn die kant nog
wal raakt in het leven. Deze 'verticale'
corruptie is dan bestreden met de aandacht
voor de ervaring op ieder niveau. Bestuurlijk
neemt een dergelijke overwinning op de
vervreemding in tegengestelde, i.p.v. in
werkelijkheid complementaire, identiteiten
andere vormen aan. Het politieke stelsel doet
zich kennen als een zoektocht naar
vereniging: zonder al te stellig te zijn
probeert men met karakter de eigenheid en het
eigen belang op een hoger niveau van
maatschappelijke verantwoordelijkheid te
brengen en zo verantwoordelijkheid te dragen
voor de samenleving. Door het met de ten val
gekomen tradities zitten met een gebrek aan
duidelijkheid over wat nu precies
bestuurlijke macht inhoudt en wat de regels
daarvan zijn, is er echter een levendig
gespeculeer over wat het belang van de burger
nu precies zou representeren. Zo is er de
'rechtse' invalshoek en de 'linkse'
invalshoek. Beiden bewegen zich in onderlinge
tegenstelling op de dimensie van de dualiteit
van het individuele versus het sociale
belang, waarbij iedereen eigenlijk wel weet
dat de twee niet tegen elkaar weg te strepen
zijn en er dus eigenlijk altijd in coalitie
moet worden geregeerd. Door het ego van de
identificatie met de materiële greep van
de belangengroep in kwestie - doorgaans
werknemersbelangen tegenover
werkgeversbelangen - vervalt men in
filosofische(...) tegenstellingen en
vervreemding. Men ziet de zonde en de
begeerte in de ander en niet in zichzelf. Men
kan elkaar, zonder 'zichzelf' niet meer te
zijn, niet de wind uit de zeilen halen en de
ander incorporeren in de eigen benadering, en
men kan er dan vervolgens 'niets aan doen'
als 'de anderen' er dan onder moeten lijden.
Er zijn winnaars en verliezers, patsers en
sukkels, terwijl dat soort denken toch meer
tot het sportveld behoort dan tot de arena
van de politieke discussie waar samenwerking
en een ieder recht doen het einddoel van de
heilig verklaarde democratie vormen. Men
denkt dan valselijk dat regeren de
tegenpartij, of de onwillige burger,
inpeperen is wat links- of rechtsgewijs moet
worden gedaan, hetgeen een hopeloze affaire
is die er in feite op neer komt dat de
integriteit van de filosofie der vereniging
niet gekend wordt. Die filosofie is primair
meer geïnteresseerd in het verschil
tussen kwantiteit en kwaliteit, de dimensie
van individu en samenleving (kwantiteit)
afgezet tegen de dimensie van geest en
materie (kwaliteit). Met de
links-rechts-politiek wordt vergeten dat
regeren en representeren moet stoelen op
voorbeeld en zelfcorrectie (heiligheid en
boetvaardigheid) en niet zozeer op het
meeheulen met de menselijke zwakheden en er
dan een ander voor laten boeten
(identificatie en projectie). Het eerste heet
adel en geestelijkheid, het tweede is in
feite boerenbedrog dan wel een symptoom van
het onbewuste van de cultuurneurose.
De
democraten in het midden proberen met
wetenschappelijk elan het evenwicht te
prediken, hetgeen een loffelijk streven is.
Alleen kunnen ze de identiteitscrisis van de
moderne mens niet aan en lijden, die in feite
vertegenwoordigend, dan aan een gebrek aan
zeggingskracht. Er is onvoldoende analytisch
besef om van een nepotistische - op
vriendjespolitiek gebaseerde - democratie van
egopartijen te komen tot een
identiteitsbewuste democratie van partijen
met een praktisch - niet slechts theoretisch
- respect voor fundamentele mensenrechten.
Men komt, zonder de filognosie, niet tot een
democratie van partijen die allen behoren tot
een zelfde indeling die van absolute waarde
is voor de ziel. Het woord ziel is de
materialist, van oppositie zijnde, te
esoterisch; het woord God is hem makkelijk te
beladen; absolutisme is, uit angst voor een
dictaat, verboden; en het kapitaalmotief dan
maar voorop met God of niet met God is
onvermijdelijk, zo lijkt het dan. Men komt zo
tot de vreemde conclusie dat de nepotistische
tendentieuze politieke partij de grootste
bedreiging vormt voor de democratie die op
rede, analyse en wetenschap is gebaseerd. Het
nepotisme als vereniging van het ego weigert
de vereniging op basis van de ziel die er
nodig is. De nepotistische democratie neigt
steeds via zijn streven naar partijgebonden
alleenheerschappij tot dictatuur, hetgeen de
burger in angst doet leven voor zijn eigen,
hoogst noodzakelijke, verkiezingsuitslagen.
Het intellectueel belang uit zich
nepotistisch en materialistisch strevend naar
macht over anderen, als fundamentalisme. Het
belang van een formele maatschappelijke orde
van bestuur uit zich
nepotistisch-democratisch als militarisme of
zelfs, discriminerend met een verkeerd
vijandbeeld, als fascisme. Het
ondernemingsbelang uit zich, verloren in de
duisternis van de consumptieve en productieve
begeerte, als kapitalistische
vriendjespolitiek en zakkenvullerij in
misbruik van het sociale vertrouwen, waarbij
men nooit, van het geheel van God vervreemd
zijnde, de volledige werkgelegenheid kan
vormen die er gewoon wèl is op basis
van de onbaatzuchtige zelfverwerkelijking.
Ten slotte is het belang van de werknemers
telkens weer een grote gemene socialistische,
dan wel fanatieke communistische, deler van
een geïnstitutionaliseerde valpartij
waarbij alle individuele verschillen worden
wegvereffend met een goddeloze repressie op
alle dissident genoemde kritiek als zijnde
egoïstisch of contrarevolutionair,
zonder dat men het eigen groepsegoïsme
als het kwaad ervan herkent. Kenmerk van
deze nepotistische doordraaierij is het
materialisme van het valse ego.
Geïdentificeerd met het materiële
belang verliest men baatzuchtig
gecompromitteerd de distantie en het
overzicht en dus ook het evenwicht en krijgt
men elkaar als een vijandig dictaat te zien.
Dit alles herkennend als een gebrek aan
verlichting resulterend uit de onzuiverheden
van de materieel gemotiveerde mens, moet men
constateren dat een simpel potje moraliseren,
kerkelijk of gedragswetenschappelijk,
ethisch-filosofisch, niet echt helpt. De
moraal predikt zijn eigen noodzaak... Men is
gevangen in een systeem, in een vorm van
bewustzijn dat men religieus de erfzonde
noemt en psychologisch de cultuur der
compensaties. Met gemakzucht is men verstrikt
geraakt en de moeite ter wille van de
bevrijding is heel andere koek. Men verliest,
zich economisch en emotioneel vastdraaiend,
alle synergie, alle vermogen tot samenwerken
en verder kunnen kijken dan de neus lang is,
in beslag genomen als men is door
compensaties als een extra maand vakantie,
een hoger inkomen, veiligheidsmaatregelen en
een foutief geconcipieerde, zich niet van de
principes bewuste, deregulering. In feite
kennen we dan, gevangen in het systeem, niet
meer echt de regels voor de menselijkheid -
de eigenlijke waarden waar het om gaat als
men een mens wil zijn en niet een bende
vechtende apen en honden die steeds maar weer
de mensenrechten moeten schenden om de valse
positie van het eigen dictaat er door te
kunnen drukken. De vier
hoofdministeries kennen dan ieder, naar de
vier leeftijds groepen of geestelijke
afdelingen van normen en waarden, vier
subsecties, subdepartementen of
deelministeries. Bijvoorbeeld: 1 De arbeid
kent: 2 De
verschaffing kent: 3 De
hoofdsectie van het bestuur kent: 4 De
hoofdsectie der intellectuelen kent:
Op
bijvoorbeeld deze manier kan men dan, langs
de wegen der geleidelijkheid uiteraard, een
evenwichtig bestuur opbouwen waarbij de
discussiegroepen en commissies nodig voor de
democratische besluitvorming inhoudelijk min
of meer vastliggen en op grond daarvan de
politieke partijen gebaseerd op nepotistische
voorkeuren kunnen verdwijnen of als niet meer
essentieel te noemen gezelligheids- en
vriendenclubjes op de achtergrond kunnen
blijven voortbestaan. De
oplossing zoals hier voorgesteld geeft meer
vorm en inhoud aan de bestuurlijke
integriteit zowel als aan de individuele
burger en geeft minder gehakketak over
individuele partijbelangen die een goed
lands- en wereldbestuur uiteindelijk in de
weg staan. Ze vormt een duidelijke, meer
spiritueel verantwoorde en schriftuurlijk te
onderbouwen, ideaalstelling in normen en
waarden in relatie tot God, zonder echter
direct in religieuze voorkeuren en
tegenstellingen te vervallen. Zie hier
dan de blauwdruk van een kleine filosofie van
de vereniging, waarin de politieke,
bestuurlijke, onzekerheid kan worden omgezet
in een filognostisch respect voor individuele
eigenheid en identiteitszekerheid enerzijds
en sociaal-economische zekerheid,
vertrouwdheid en saamhorigheid anderzijds.
Het is een kwalitatief/kwantitatief gezonde
doelstelling die haalbaar is voor deugdzame,
maatschappelijk betrokken mensen die zich
bewust zijn van de eigenlijke waarden der
politieke, religieuze, economische en sociale
vereniging. Diegenen die zich niet aan die
waarden storen, zullen wellicht nooit die
motivatie en dat bewustzijn ontwikkelen wat
nodig is voor een bewuste deelname aan die
vereniging, hoe goed men ook, desalniettemin,
kan meekomen in de eigen maatschappelijke
positie van zelfverwerkelijking. Politiek of
filognostisch engagement is echter geen
absoluut vereiste voor goed burgerschap; het
is veeleer het niet-nepotistisch
gepolitiseerd of niet-egocentrisch
gepolariseerd uitdragen van de eigen
identiteit waar het om gaat in een proces van
zich realiseren wat nou precies de werkelijke
structuur van de materiële samenleving
en de geestelijke werkelijkheid
is. Haal
het bestand op en verspreid de
boodschap! Aanbevolen
studiemateriaal
(on-line): * Zie voor
de verdere uitwerking van de zestienvoudige
bestuurlijke herindeling ook het politiek
programma
voor een doelbewust mensenrechten
identiteitsbestuur. * Het
artikel Democratische
Verkiezingen...
over de basisfilosofieën van ons
politieke stelsel. * Het
artikel "De
Schittering - afscheid van het
cynisme"
over nepotisme, mensenrechten, dictatuur
en non-illusie. * Zie ook
het belangrijkste verhalenboek van
Vyâsadeva, de Bhâgavata
Purâna op bhagavata.org. * Zie voor
meer politieke bezinning en perspectief het
politieke Filognostisch
Manifest 'Werk en
Werkeloosheid' * Zie voor
een grafische voorstelling van de gegeven en
andere filognostische indelingen ook de
'Filognostische
Gids'. * Zie voor
een helder beeld van het rollenspel der
identiteiten 'Het
Spel van de
Orde'. * Zie voor
een FAQ-achtige benadering van de
basisstellingen der Filognosie
de z.g. filognostische ronden, kunst en
woordbetekenissen. Het logo op
de omslag bestaat uit een combinatie van de
symbolen der filognosie, in het Latijn
weergegeven met veritas, patria,
temperantia et pax: Het gebed
van de vedische reformatie, dat
overeenkomstig in het Sanskriet naar de
regulerende beginselen van het zich verenigen
in de yoga met de z.g. vidhi zegt:
'waarheidlievend (sathya) in mededogen
(dayâ), boetvaardig
(tapa) trouw zijn in reinheid
(sauca)', luidt dan samenvattend
filognostisch: 'Laat vrede
met de natuurlijke orde (pax) over de
wereld heersen in respect voor de waarheid
(veritas), alles in matiging delend
met een ieder (temperantia), trouw aan
de zaak der eenheid
(patria).' (zie
ook 'de filognostische
vlag'
en de ' waarden
in het
Latijn').
In
de boekhandel te bestellen vanaf 7 okt 2005
onder ISBN 90-809832-1-7 Verkoop,
handel en aanwending in welke
commerciële context dan ook
2005© De Orde van de Tijd |