Pamflet voor een Nieuwe
Energiepolitiek

"De
formulering van een probleem is vaak
essentiëler dan de oplossing ervan,
die slechts een kwestie van
mathematische en experimentele
vaardigheid kan zijn."
Albert Einstein
5)
Het
paradigma van de relatieve ether
Het huidige, heersende
paradigma kunnen we het paradigma van
het relativisme noemen dat is
gebaseerd op de oude formuleringen van
Einstein toen hij de aanname
van het bestaan van de ether voor
'onnodig' verklaarde. Het relatieve
van de moraal en de materie is op zich
niet verkeerd, integendeel, maar het
-isme ervan is verkeerd als we daarmee
gaan beweren dat er niets absoluuts
meer zou bestaan. Dat was nooit
Einsteins bedoeling en hij ergerde
zich ook aan deze interpretatie.
Natuurlijk is, net zoals je religieus
de heilige drie-eenheid van de Vader,
de Zoon en de heilige geest hebt als
een absoluut gegeven, heeft men ook de
tijd, de ruimte en de materie als een
absolute drievoudige gegevenheid,
waarzonder men niet kan leven en
redeneren, zelfs niet in de hemel. Dat
je de tijd relatief, d.w.z.
afhankelijk van een raamwerk moet
bezien doet hier niets aan af. De tijd
blijft, onveranderd, het absolute
levensbeginsel van het gescha pen universum.
Het relatieve vormt
t.o.v. het absolute een fundamentele
dualiteit die niet zomaar in tweeën
kan worden geknipt met het
onbestaanbaar noemen van één helft.
Relativisme is dus fout en het
absolutisme is dat net zo goed.
Einstein zelf had het ook liever over
een theorie van invarianten,
het ging hem om het absolute van de
lichtsnelheid. Dat hield voor hem een
rekenoefening in, het axioma van een
constante lichtsnelheid vormt de basis
van zijn berekenimgen. De vraag i.v.m.
de onvermijdelijke dualiteit van
relatieve t.o.v. absolute waarheden is
hier meer: 'Hoe ontsnappen we aan
de eenzijdigheid die
fundamentele dualiteiten de
nek probeert om te draaien?' Het
ontkennen van de oude ether als een
abolute grootheid ten gunste van een
relatieve, moderne ether in de vorm
van de vierde dimensie van de ruimtetijd ('spacetime') relatief t.o.v. de
drie bekende dimensies, is een foute
zaak.
Het relatieve van de ether in de
gemanifesteerde wereld (de gekromde
ruimte-tijd) sluit nog niet de
absolute werkelijkheid uit van de
oertoestand die aan die relativiteit
ten grondslag ligt. Het absolute van
de ether was er voordat ze in haar symmetrie
brak en tot manifestatie
leidde. Ze is nog steeds meetbaar als
de kosmische
achtergrondstraling die in het ontstane
universum aanwezig is als de
uitdrukking van een eeuwigdurende,
tijdruimtelijke expansie die al het
overige overtreft. M.a.w. het absolute
bestaat altijd naast het relatieve.
Religieus gezegd: God bestaat naast
dat wat Hij voorbracht, want delen
behoren altijd tot een geheel. Al het
bestaande maakt deel uit van haar
Grote Verzameling. Met het relatieve
van de schepping is er ook het
absolute van wat natuurkundig de singulariteit wordt genoemd waar
alles uit voortkwam en weer naar
terugkeert. Je kan het ene niet tegen
het andere wegstrepen. Als we met onze
vierde generatie vrije energie
technologie vooruit willen moeten we
de onwetendheid rondom de dualiteiten
betreffende het energiebegrip
aanpakken. Dus allereerst gaat het om
de vraag: wat is nu eigenlijk
energie?
5.1 De Definitie van Energie
Als we niet weten wat energie is met
de omschrijvingen E=mv2
(Leibnitz) of E=mc2
(Einstein), dan hebben we dus een
crisis, zoals je ook een
identiteitscrisis hebt als je niet
weet wat je identiteit is of een
economische crisis als je niet meer
weet wat geld nou eigenlik is
(namelijk een afhankelijke variabele
die wij manipuleren, het is een middel
en niet een doel). Energie laat zich,
zoals natuurkundig bekend, herkennen
in het arbeidsvermogen dat zich laat
uitdrukken als de snelheid van massa (in
the sense of van zijn
'hoekmomentum' of impulsmoment)
tot aan die van de lichtsnelheid. Maar
definieert die omschrijving wel wat
energie is? Als de koningin wordt
beschreven als een dame met een kroon
in een gouden koets, is dat dan de
definitie van een koningin? We weten
dat in de 20e eeuw mevrouw van Buren,
Beatrix van Oranje, de koningin van
Nederland was, zelfs als ze niet in
haar gouden koets zat of geen kroon
droeg. Taalkundig komt het dan neer op
de vraag: wat is het verschil tussen
een definitie en een omschrijving?
Maakt de natuurkunde wel bewust
onderscheid tussen dat een
definitievan iets en een omschrijving
van iets? Zo nee, is dat gebrek aan
onderscheid dan misschien er de reden
van dat we een energiecrisis hebben,
de crisis die ons wat dit
betreft er ons toe heeft
aangezet over de energiekwestie
en de orde van de tijd te schrijven?
Het Van Dale woordenboek stelt:
Definitie:
"Een samenvattende omschrijving
van de kenmerken van een begrip,
zodat het niet met een ander
verward kan worden. "
Omschrijving:
"Nadere beschrijving of
verklaring."
Beschrijving:
"Volledige opsomming der
bijzonderheden en kenmerken van
iets of iemand".
Een beschrijving
is misschien volledig maar wellicht
niet exclusief zoals een definitie
vereist. Zo kan je bv. met een
beschrijving van wat energie is in
de war raken met de beschrijving van
wat een kracht is. Kracht is immers
pas energie als je die kracht
aanwendt. Als de natuurkunde dit
onderscheid niet zo nauw neemt, zegt
Einstein ons met zijn formule: de
kracht van het licht bestaat eruit
dat het deeltje ervan, het foton, de
lichtsnelheid heeft terwijl het (in
zichzelf een golf vormend) op en
neer (of anders transversaal
rond)beweegt met de lichtsnelheid
(en zo het kwadraat van C vormt).
Begrijpelijk klinkt dat wel en
Interessant is het ook nietwaar? We
hebben nu Einsteins beschrijving het
karakter van een verklaring gegeven
door ervan uit te gaan dat energie
en kracht makkelijk te verwarren
begrippen zijn. Van Dale weer:
Energie
in verband met personen:
kracht waarmee men iets doet, naar
iets streeft.
Elektrische
energie: arbeid geleverd
door een elektrische energiebron,
arbeidsvermogen van de
elektriciteit.
Kinetische
energie: energie die
samenhangt met de beweging van een
voorwerp.
Potentiële
energie: energie die een
voorwerp heeft als gevolg van zijn
plaats (bv. zwaartekrachtenergie),
vorm (bv. uitgerekte veer) of
toestand (bv. batterij met
elektrische energie).
We zien aan deze
definities dat energie verward met
de kracht waarmee men iets doet
verwijst naar de persoon. In andere
samenhang verwijst de term energie
naar de arbeid die ermee verricht
wordt of het verwijst naar zichzelf.
Van definities die naar zichzelf
verwijzen worden we niet veel
wijzer. Wat is zo bezien bv. de
energie van het licht? Is die
energie nu elektrisch, kinetisch of
potentieel? Mogen we dat kinetisch
afleiden uit de snelheid van een
foton in een vacuüm, uitgaande van
het feit dat het wegzuigen van lucht
geen medium meer overlaat dat dan
nog weerstand kan bieden? Is zo'n
veronderstelling wel waar als we
weten van z.g.
zwaartekrachtlenzen dat fotonen zich
anders gedragen in
zwaartekrachtvelden? Het vacuüm is
z.g. niks, maar het doet wel wat met
het licht dus. Feitelijk weten we zo
niet wat de energie van het licht
is. Men werkt met aannames van
beschrijvingen en constanten die met
bijbehorende theorieën dan moeten
bewijzen dat ze de werkelijkheid
redelijk dekken, meten of
voorspellen.
Een
beschrijving echter kan de
verklarende capaciteit missen die
een definitie vereist. We kennen dan
de energie wel - mathematisch,
natuurkundig etc - maar snappen waar
we het over hebben is dan nog niet
zomaar het geval. Taalkundig gezien
hoeft zoals we hierboven zagen een
beschrijving nog geen verklaring te
zijn, een definitie moet dat echter
wel, willen we echt, d.w.z.
uitsluitend en verklarend
beschrijven wat we zien.
Verklaringen zijn er om zaken te
begrijpen, omschrijvingen niet.
M.a.w. Einstein, die geen
analyserend filosoof was maar meer
een experimenteel denker, geeft met
zijn beschrijving E=mc2
nog niet zomaar een verklaring van
wat energie is, hij beschrijft
slechts één van de mogelijke
natuurlijke relaties die samenhangen
met het energiebegrip, uitgaande van
een ongehinderde maximale snelheid -
een constante snelheid -van het
licht in de ruimte.
Wat
er dus feitelijk nodig is - als we
willen snappen waar we het over
hebben- is een fundamentele,
samenvattende omschrijving die als
verklaring kan dienen, die tot dat
begrip leidt dat een einde maakt aan
de energiecrisis die is gebaseerd op
deze onwetendheid over wat energie
is. Wat je niet goed kent kan je ook
niet goed beheersen. Kennis is
immers macht. Wat je goed kent en
kan beheersen kan dan niet een
crisis inhouden. In een crisis ben
je de beheersing namelijk kwijt: het
is de beheersing die vals bleek te
zijn! Er is begin 21ste eeuw een
strijd gaande over de energiebronnen
en de prijs van de energie, hetgeen
praktisch inhield dat het ons niet
langer was toegestaan dat we bv.
naar de betere plasmaschermen keken
- zoals de nederlandse regering
medio half maart 2009 verkondigde -
want die vragen meer energie dan
LCD-schermen. We hebben te kampen
met een energiecrisis. Dus... Zullen
we met dergelijke crisismaatregelen
dan niet eens gaan onderzoeken wat
de beste verklarende en operationele
definitie van het energiebegrip is?
M.a.w. een verklaring waar we mee
kunnen werken, mee aan de slag
kunnen, en die duidelijk maakt dat
onze strijd over de hulpbronnen, de
schaarste en de prijs op
onwetendheid berustte. Kan energie,
als we even Einstein vergeten, b .v.
misschien onafhankelijk van massa
bestaan en zich uitdrukken in iets
anders dan de snelheid van meetbare
deeltjes als fotonen? Kan het
misschien de vibratie van een
ongemanifesteerde vorm van de
materie zijn, ofwel van iets
protomaterieels -, een vorm of bron
van energie die daaraan voorafgaand
niet materieel, maar slechts
virtueel of potentieel is?
Taalkundig is dat wel toegestaan in
ieder geval. Van Dale:
Virtueel:
als mogelijkheid of vermogen
aanwezig, in werkelijkheid of
werkzaamheid kunnende treden.
Neem
bijvoorbeeld de stelling: een
magnetisch veld structureert de
energie van de ruimte die het
medium voor het magnetisme vormt.
Dat is een stelling die uitvinders
vaak bezigen met het ontwikkelen van
hun pogingen tot
vacuümenergieconversie. Dat veld is
niet zichtbaar materieel, maar is
wel afhankelijk van de
materie, de kracht en de kwaliteit
van de magneet. Een magneetveld is
dus secundaire of subtiele materie -
wel tastbare, maar geen zichtbare
materie. De energie van de ruimte
zelf hoeft echter niet van die
afhankelijkheid te zijn. De magneet
produceert volgens
de stelling de energie niet,
ze structureert die energie alleen
maar. Zonder de magneet is die
energie dan ongestructureerd, d.w.z.
dat ze niet materieel gerelateerd
bestaan kan als een chaotisch
bewegend graviton deeltje of als een
losse onafhankelijke snaar van
trilling zoals resp. de kwantummechanica en de snaartheorie dat voorstelt.
Ook spreekt men in dit verband
behalve van vacuümenergie, zoals we
in hoofdstuk twee al zagen, van donkere
energie, nulpuntsenergie, of van het
loskoppelen van de bepaalbaarheid
van de impuls en van de positie van
een deeltje (onzekerheidprincipe
van Heisenberg). Ruimte kan je
modern
theoretisch-natuurkundig zien als
een
afzonderlijke,
onafhankelijke, massaloze energie.
Maar de Vedische literatuur b.v. zei
reeds duizenden jaren voor Christus:
de ether, net als de ziel,
vermengt zich nergens mee (B.G. 13.33). Dus echt iets
nieuws onder de zon zijn deze ideeën
niet.
5.2
Natuurkrachten
Een
statische,
conservatieve
kracht als het magnetisme
en de zwaartekracht kan op zich geen
werk verrichten of energie leveren.
Maar kan logisch gesproken de
combinatie van twee van die
conservatieve krachten ook
conservatief zijn? Het verschil
tussen die twee fundamentele
natuurkrachten kan je uitdrukken in
termen van tijd, want alle
verschillen die we kennen kan je
beschrijven als tijdsverschillen.
Een verschil tussen twee krachten,
conservatief of niet, houdt dan - in
samenhang gebracht met de materie -
kinetische energie in, ofwel een
meetbaat tijdsverschil. De wijzen
(zoals Herakleitos, Plato en Aristoteles) zeiden reeds: alles
beweegt, pantha rhei, niets is ooit,
alles wordt en niets is standvastig,
ofwel het universum leeft en
beweegt.
Dat
is het absolute van de tijd: er is
altijd beweging, een krachtenspel,
een tijdsverschil als er afstand is,
een verschil met de materie dat we
de ruimte noemen. De ruimte is zo
bezien dan pure tijdenergie, het
resultaat van een spel van de
verschillende krachten van de tijd,
d.w.z. de fundamentele
natuurkrachten die op zichzelf
bekeken conservatief zijn. En dit
begrijpen van de ruimte-materie-tijd
drie-eenheid moeten we aannemen als
een correcte definitie van het
geheel van het natuurkundig voorwerp
van studie, want we zien het zo voor
ons. De magnetische aarde draait
rond en produceert bliksemflitsen in
samenhang met de zwaartekracht die
ze heeft. Dat is wat we zien,
elektrische energie uit roterend
magnetisme, de aarde is een dynamo
aangedreven door de tijd en onze
geest beweegt in overeenstemming met
de afgesproken definities. Zo kwam Faraday tot zijn
experimentele bevinden en hebben we
vandaag de dag elektromotoren op
basis van roterende magneten.
En
nu weten we ook wat energie is: een
tijdsverschil gevormd door de
materie in de vorm van de ruimte.
Ruimte als tijdenergie is het
resultaat van de wisselwerking
tussen de verschillende vormen van
de tijd: uitdijing of voorwaartse
tijd, samentrekking of terugwaartse
tijd en rotatie. Het is een
evenwicht van uitdijing en
samentrekking van het centrifugale
en centripetale van de materie van
planeten en sterren in beweging die
we samen bij elkaar het universum
noemen. De term vrije energie heeft
dus natuurkundig gezien betrekking
op ongebonden energie, de energie
van de ruimte, de energie van het
z.g. vacuüm, ofwel gewoon
ruimte-energie, een energie die je
in principe, logisch gesproken, kan
converteren naar kinetische,
bruikbare energie door de
fundamentele natuurkrachten, de
verschillende vormen van tijdenergie
die ermee samenhangen, tegen elkaar
uit te spelen. Daarom draagt dit
betoog de titel "de
Energiekwestie en de Orde van de
Tijd".
5.3 De
Fysica van de Verwarring
De natuurkunde is geen filosofie,
noch taalkunde, en daarom halen de
vaak voor de gewone man
onbegrijpelijk redenerende
natuurkundigen niet alleen makkelijk
dat wat een omschrijving is
en een definitie vormt door
elkaar, ze verwarren ook dat wat een
principe is met een wet
en dat wat een constante is
met dat wat absoluut is. In
de speciale
relativiteitstheorie, die rond
1900 ontstond vanuit het onvermogen
de ether aan te tonen,
verabsoluteert Einstein de maximum
snelheid van het licht in de ruimte
tussen planeten, maar later bleek
dat dat weer niet geldt voor
'ongecodeerd' licht dat dan dus, net
als zwaartekrachtgolven, sneller dan
het licht kan gaan (zie artikel). Sedert de deense
astronoom Ole Romer in 1676 de eerste metingen
deed naar aanleiding van de eclipsen
van de manen van Jupiter, zitten we
nu inmiddels met licht dat sneller
gaat dan het licht. Goed, het
maximum is dus geen maximum, en dan
snappen we dus niet meer wat de
natuurkunde met de term 'constante'
bedoelt. Einstein zelf kwam, om de
verwarring te completeren er in 1920
ook op terug toen hij in het boek "Relativity:
the special and general theory"
stelde: "... volgens de
algemene relativiteitstheorie kan
de wet van de constantie van de
lichtsnelheid in een vacuüm, die
een van de twee fundamentele
aannames van de speciale
relativiteitstheorie vormt [. .
.], geen onbeperkte geldigheid
claimen. Een afbuiging van
lichtstralen kan alleen
plaatsvinden wanneer de
voortplantingssnelheid van het
licht varieert met de positie."
Maar dat via de achterdeur van zijn
gekromde ruimte weer suggereren van
een ether die variaties in de
lichtsnelheid geeft, weerhield de
moderne navolging door de
natuurkunde er niet van om dat soort
variaties - zoals Einstein die hier
vermeld - onzinnnig te noemen. In de
wikipedia pagina hierover zegt men in weerwil:
"The speed of light is the upper
limit for the speed at which
information, matter, or energy can
travel through space", en hierin zien we
hoe een maximum tot een absolute
waarheid wordt verheven, ook al is
‘licht zonder informatie, energie of
materie’ – wat zou dat dan zijn? –
wellicht nog steeds sneller dan de
grens die voor die
manifestatiebronnen is vastgesteld.
C (celeritas, snelheid) is God,
en de rest is relatief,
ondergeschikt, punt uit, zo gelooft
de moderne natuurkundige, anders is
hij een gevallen ziel. De zaak was
verabsoluteerd, het dogmatisch kwaad
was geschied en de psychologie van
de theoretische consonantie, zeg
maar een zekere valse trots van
kennis, kon niet meer worden
teruggedraaid (zie o.a. C.M. Will, "Was
Einstein Right?" - Basic Books,
1986).
Het
relativiteitsprincipe waar Einstein
zijn latere algemene relativiteits
theorie over de zwaartekracht op
baseerde staat ook wel bekend als
het equivalentieprincipe waaruit later zijn
postulaat van E=mc2
voortkwam. Het oorspronkelijke
equivalentieprincipe, dat teruggaat
tot Galileo Galilei (1564-1642), wordt
door onze beste Albert per
vergissing verdedigd als een
absolute waarheid, als een
natuurwet. Het principe houdt in dat
de inerte massa van een voorwerp als
gelijkwaardig aan de
zwaartekrachtmassa wordt behandeld.
Het verschil tussen die twee
krachten, namelijk dat de
zwaartekracht centripetaal werkt,
terwijl de inerte massa lineair
werkt als een z.g. vectorfunctie, dwz haaks, gelijk
aan of tegengesteld op die richting,
werd al door Newton verwaarloosd en
Einstein baseerde op die
krachtsinductie, op dat verlies aan
onderscheid, zijn notie van de
onafhankelijkheid van de werking van
de zwaartekracht. Hij stelde de
zwaartekracht gelijk aan de
kunstmatige zwaartekracht, of de
inerte kracht die een met G
versnellende ruimtesonde aan zijn
passagiers geeft. In feite is,
psychologisch gezien, de algemene
relativiteitstheorie dus een
rationalisatie van het onvermogen om
experimenteel een verschil aan te
kunnen tonen tussen deze twee
krachten. De kunstmatige
zwaartekracht die je zelf opwekt met
een versnellend ruimteschip kan
inderdaad niet zo'n verschil
opleveren, dat is nogal logisch.
Maar waarom zou die inerte kracht
steeds als een kunstmatige
zwaartekracht moeten werken? Dat is
natuurlijk in de skeptische
zienswijze onzin of, wat netter
filosofisch gesproken, het wordt dan
gezien als een drogreden, ofwel
sofisterij om daar van uit te gaan.
Het
is een vorm van redeneren die we
vaak in de moderne natuurkunde
tegenkomen: "stel dat we in een
ruimteschip de lichtsnelheid
naderen, dan worden we oneindig
zwaar". Onzinpraat dus zo
bezien (zie b.v. het wat dit betreft
typisch schoolse verhaal van Stephen
Hawking "Een korte
Geschiedenis van de Tijd"). Deze
zwaartekrachttheorie van Einstein
leverde dus ook nooit een
anti-zwaartekrachtmachine op. Er was
geen Nobelprijs voor zijn
relativiteitstheoriën. De eigenlijke
vraag die moet worden gesteld is
natuurlijk: "Wanneer koppelen die
twee verschillende krachten zich
los, afgezien van hun richting?"
Want in verschillende richtingen
geprojecteerd kunnen ze nog steeds
hetzelfde zijn. Dat loskoppelen zal
toch wel moeten als je iets wilt
organiseren met de zwaartekracht.
Dus, kan dat eigenlijk wel? Uit
observaties in miljoenen files
gedocumenteerd bij de z.g. geheime
diensten over de gehele wereld
(verlegenheidsdiensten eigenlijk,
zie b.v Project Bluebook), blijkt dat
vliegende schotels (UFO's) wel de
beheersing machig zijn tegen de
wetten van de aerodynamica in wat we
de ruimtetijddynamiek of
spaciodynamica kunnen noemen. Maar
die observaties gelden
"wetenschappelijk" niet omdat ze
niet herhaalbaar zijn, Ze zijn
namelijk (exo)cultureel
of supernatuurlijk. Het experimenteel
bewijs van de gezamenlijke
verficiatie ontbrak en daarom kwamen
we uit op de merkwaardige inzichten
van de speciale relativiteitstheorie
waarover de gewone burger terecht
zegt: 'ik luister ernaar, maar ik
snap het niet meer', ongeveer
zoals we met de speciale
relativiteitstheorie ook allerlei
geks te horen kregen toen Michelson en
Morley de ether niet aan
konden tonen met hun experimenten
naar mogelijke variaties in de
lichtsnelheid als indicator. Dat
vormde de basis voor de z.g. tweede
wetenschappelijke revolutie en
Albert Michelson kreeg er de
Nobelprijs voor in 1907 nota bene.
Als
iemand je een dom gevoel bezorgd,
kan dat heel goed het besef van de
onwetendheid van die persoon zijn,
maar als je die echter niet als
onwetend wil beschouwen omdat je hem
collegegeld betaalt b.v., dan moet
je jezelf betwijfelen. Als licht een
deeltje is, een foton, en
ruimte-energie een virtueel of
potentieel protomaterieel deeltje
vormt, dan snap je dat die relatie
tussen het licht en de ether
misschien toch wat gecompliceerder
ligt dan je met metingen naar de
lichtsnelheid kan behappen. In ieder
geval kan je filosofisch
logisch, en taalkundig semantisch
verantwoord dit zeker stellen. De
speciale relativiteitstheorie die
van eerdere datum was kan, net als
de latere algemene
relativiteitstheorie, dan ook
psychologisch worden gezien als
een rationalisatie van het
onvermogen om de ether te
bewijzen. Met de inzichten
van die rationalisatie dat de tijd
niet meer absoluut is en onderhevig
is aan zwaartekracht....is het waar
of niet waar? ....mogen we ons dan
afvragen of we nog wel op de goede
weg zijn hier. Het probleem met
rationalisaties is
gedragswetenschappelijk dat ze op
zich niet onwaarheid hoeven in te
houden, maar dat die waarheid alleen
overbodig is, meer een neurotisch
compenstiepatroon of een
defensiestrategie van het ego vormen
die als een wolk van gedachten
tussen jou en de werkelijkheid
staan.
5.4 Bewijs van het Tegendeel
Met de
algemene relativiteitstheorie
veranderde het relativiteitsprincipe
van de massa-equivalentie in een
fundamentele aanname, ofwel het
principe dat in een aantal gevallen
opgaat werd tot een algemene wet
waar we niet van willen en mogen
afwijken, of beter gezegd, waar we
een paradigmatisch dogma aan hebben
dat feitelijk stelt: "ik beheers
het, dus bestaat het". Maar
als iemand volgens dit dogma
experimenteel een verschil tussen de
inerte massa en de
zwaartekrachtmassa kan aantonen, dan
wel ruimte-energie kan omzetten met
een zelflopende ethermachine of Vishnu-yantra,
is het gedaan met dit bolwerk van
logische ketterij, en vallen beide
theoriën van het relativisme in
duigen. En dan zijn plotseling, met
het wegvallen van de schellen op de
ogen, alle erbij behorende
berekeningen een illusie van
wetmatigheid, een rationalisatie
waarvan - als besproken - de
complexiteit het gebrek aan
praktische logica moet verhullen.
Als
we die illusie, die ketterij kunnen
omzeilen die bestaat tegen het
gezonde verstand in dat eigen is aan
de overige sociale en
menswetenschappen - de psychologie
voorop -, zijn we bevrijd van het
idee van aangeleerde hulpeloosheid,
van de depressie dat het
quivalentieprincipe, dat postulaat,
niet te doorbreken zou zijn, en zijn
we klaar met de energiekwestie, met
deze studie dus. Aan alle karma-yoga
komt een eind. Leonardo moet
bevrijd. Met andere woorden, als dat
werkt – en waarom zou iemand als
yogi dat karma niet kunnen
verwerken? – dan zijn
relativistische berekeningsmethoden
net zo nutteloos en misleidend als
de ether nutteloos en misleidend
leek. Dit gezien het probleem dat we
hadden om die schijnbaar
protomateriële substantie aan te
tonen door middel van een
succesvolle en reproduceerbare
omzetting van die etherische
ruimtelijke trillingen in kinetische
energie.
De
religie levert het bewijs dat we
energie van de ether krijgen, al
sedert mensenheugenis, door met de
Heer van de ether - voor Christenen
de Vader geheten - de gemeenschap
benen te geven die
lopen in de richting van de kerk.
Maar de natuurkunde kan dit
wapenfeit tot nu toe niet op zijn
naam schrijven, experimenteel niet
en sociaal al helemaal niet, anders
dan in colleges van professoren die
slechts een tijdelijke cursus
bieden. Maar goed, gezegd moet
worden hier dat, totdat het
relativisme aldus ten val komt, de
redenering die hier nu is opgezet
alleen maar het verketteren is van
geketter, dus geketter in het
kwadraat, ofwel alleen maar nog
vervelender en frustrerender is dan
de oorspronkelijke rationalisatie.
We hebben experimentele bewijzen
nodig. Dat is duidelijk. En wat wil
nu het geval? In het vrije
energieonderzoek, zo willen de
feiten besproken in het vorige
hoofdstuk, zijn we de bewijzen
tegengekomen waarbij er inderdaad
sprake is van een breuk met het
equivalentieprincipe. Men vindt er
concrete bewijzen van de ether als
energieleverancier (want we blijven
- trouw aan de thermodynamica
- zeggen dat energie niet uit
het niets kan verschijnen, maar wel
uit iets kan worden omgevormd.)
Voor de
duidelijkheid: We spreken dus van
een principe (van Dale: beginsel,
stelregel) als een redenering
die in een gegeven aantal gevallen
opgaat, maar niet in alle ("mijn
principes zijn nog niet de jouwe").
Een natuurwet (van Dale: een
algemeen geldige regelmatigheid)
gaat in alle gevallen op, is
algemeen.
Bruce de Palma, de
voormalige MIT lector werd door de
wetenschappelijke gemeenschap in de
zestiger jaren van de twintigste
eeuw uitgestoten, gek verklaard min
of meer, met zijn 'ketterse'
experimentele resultaat dat
Einsteins relativiteitsprincipe
onderuit haalde: een ronde
stalen kogel vliegt roterend
verder of minder ver dan een niet
roterende kogel afhankelijk van de
richting van draaiing. Paramahamsa
Tewari (foto links) een ingenieur
die hem wel serieus nam raakte later
in conflict met de Indiase zittende
orde toen hij DePalma's N-machine
repliceerde en effectief
verbeterde (COP 2,5) met een overunity
ruimte-energiegenerator (een
'Reactionless AC Synchronous
Generator'- RLG) die hij als leidend
ingenieur van het Indiase instituut
voor nucleare energie patenteerde.
Ook
Finsrud toont met zijn
gravito-magnetische apparaat, zijn
'Perpetuum Mobile' kinetisch
kunstwerk, aan dat de inerte massa
van de door de slingers 150 uur lang
of meer uit evenwicht gehouden kogel
met het magnetisme extra energie,
ofwel surplus inerte massabeweging,
biedt t.o.v. zijn eigen
zwaartekrachtmassa. Blijkens deze
twee, formeel niet gerepliceerde
bewijzen van Finsrud en DePalma, is
het dus mogelijk het
equivalentieprincipe experimenteel
te doorbreken met rotaties die in de
natuur niet spontaan ontstaan
kunnen. en kunnen we dus feitelijk
zo de tekortschietende logica van de
relativiteitstheorie terzijde
schuiven. Maar natuurlijk wil de
moderne natuurkunde met de
verheerlijking van Einstein als de
opperste intelligentie niet weggezet
worden als een dubbele
rationalisatie van de eigen
experimentele onkunde. "Wat ik
niet kan aantonen bestaat niet en
dus bestaat de ether niet en een
breuk met het equivalentie
principe ook niet", is
rationeel gesproken geen
aanvaardbare redenering. Zo kunnen
we de geestelijke gezondheid niet
garanderen.
Dat
soort ontkennen is voor een
psychoanalyticus meer een symptoom
behorend tot een cultuurneurose van
Oedipale ontkenning en verdringing
in relatie tot vadertje Tijd, en
zo'n geestesstaat maakt, als deze
bewijzen bij replicatie solide
blijken ten minste, duidelijk dat je
met Einstein in feite een warhoofd
bent en dat Tesla dus gelijk had
toen hij over de moderne
(theoretische) natuurkunde sprak als
zijnde mathematische mystiek
zonder veel praktisch inzicht.
Later in zijn leven verging het
Einstein ook aanzienlijk slechter
intellectueel. Dat kon de ouderdom
zijn, maar waarschijnlijker is dat
zijn theorie als de psychologische
ontkenning van iets geen progressie
vertoonde. We meenden wel de
absolute lichtsnelheid ermee te
zien, maar we zagen het licht van de
toekomst anders dan in opflitsende
paddestoelwolken er zelf eigenlijk
niet mee. Veel verder dan GPS
technologie en de verwerpelijke
kerncentrales die feitelijk moderne
stoommachines zijn, zijn we er
praktisch niet mee gekomen. Einstein
kon de knoop die hij had met zijn
aanvankelijke ontkenning van de
ether en zijn tot axioma
gebombardeerde equivalentieprincipe
niet ontwarren en niet tot
integratie, niet tot een verenigde
theorie komen. De natuurkunde is
aldus, zo laat het zich vandaag de
dag aanzien, een verzameling losse
experimentele inzichten waar
theoretisch, ondanks alle
speculaties en deeltjesversneller
onderzoek, de eenheid aan ontbreekt
en waarvan de theorie riekt naar
ontkenning en verdringing.
Ook
het algemene autoritaire, slechte
karakter van de gemiddelde pas
opgeleide (onvolwassen, pas
afgestudeerde) natuurkundigen die
veelal sceptisch en veroordelend
neigen te reageren op uitzonderingen
op het genoemde principe zoals de
inquisitie van de katholieke kerk
moorddadig en misdadig reageerde op
spirituele burgerexperimenten
(kettervervolging), geeft te denken.
Er moet dus iets fundamenteel mis
zijn met het moderne
natuurkunde-onderwijs. Het lijkt wel
een prediking met dogmatische
volgelingen die agressief defensief
de duurbetaalde studie proberen te
verdedigen en ons 'leken' dom
proberen te verklaren. Is de
natuurkunde misschien de nieuwste
religie? Moeten we dat
onbegrijpelijke 'intelligente'
geknoei met de mathematische logica
allemaal maar geloven? En is
de t.v. dan misschien het moderne
afgodsbeeld der afstandelijkheid ter
verering van de valse eenmaking van
de standaardtijd die zich rationeel
baseert op de ontkenning en uit zijn
natuurlijke kader verwijderen van de
absolute waarde van een eeuwige
veranderende tijd die wel degelijk
een momentane absolute gelijkheid
kent die we het NU noemen, ook al
krijgt dat Nu overal
wetenschappelijk (en niet poltiek)
een ander cijfer in de natuur? Zo
moeten we het toch allemaal niet
zien..... Einstein zei toch niet dat
wetenschap en religie niet zonder
elkaar konden omdat hij de
natuurkunde graag dogmatisch de
scepter zag zwaaien? En natuurlijk
zijn er meer verlichte
natuurkundigen (Bohm bv.).
Volgend op Einstein's 'bekering' tot
een nieuw etherinzicht, toen hij in
1920 zijn spijt betuigde over zijn
radicale afwijzing van de ether,
ontstond er de moderne
ethertheorie die mede zijn basis
vond in het werk van de
natuurkundige Wolfgang
Pauli (1900-1958) die met
zijn uitsluitingprincipe een belangrijke
bijdrage leverde aan de
kwantumtheorie van Max Planck
(1858-1945) die wèl ruimte biedt
aan een soort van etherdeeltje dat
hierna ter sprake zal komen. Normale
elementaire deeltjes (fermionen)
verschillen volgens het
uitsluitingsprincipe absoluut van
plaats en zijn altijd een
tijdproduct om die reden. Daardoor
is de ether, ofwel de ruimte die
door de materie wordt beschreven,
evenzogoed een absoluut gegeven. De
ether is in de kwantummechanica dus
theoretisch natuurkundig een
axiomatisch gegeven waarzonder je
niet logisch kan redeneren. De
nieuwe ethertheorie die
gepopulariseerd werd in de 80-er
jaren door Maurizio
Gasperini en weer opnieuw
onder de aandacht werd gebracht rond
de eeuwwisseling door Ted
Jacobson en David Mattingly, wordt echter begin
van de 21e eeuw nog steeds niet
algemeen aanvaard binnen de
natuurkunde. Dit leidt tot
discussies en aanvallen op dat
traditionele relativistische bolwerk
dat nu in de weg van de vooruitgang
lijkt te staan.
Zo was er onlangs (okt. 2007)
in Nederland nog een
organisch-fysisch scheikundige
genaamd Marcoen Cabbolet
(1967) wiens promotie
najaar 2007, heel uniek, werd
afgelast ondanks dat de
promotiecommisie zijn dissertatie
reeds had goedgekeurd. Hij had samen
met zijn helaas overleden promotor
Sergey Sannikov uit de Oekraîne
ontdekt dat, in strijd met de
inzichten van de kwantummechanica en
de algemene relativiteitstheorie, er
theoretisch gezien volkomen nieuwe
bronnen voor energiewinning bestaan.
Het College voor Promoties van de
technische universiteit van
Eindhoven, dat unaniem oordeelde dat
het onderzoek niet voldoende
kwaliteit had, moest later op die
beslissing terugkomen toen bleek dat
die commissie zelf niet deugde.
Externe deskundigen werden
ingeroepen waaronder onze
nobelprijswinnaar 1999 Gerard
't Hooft die zei dat hij 'er
geen brood van kon bakken'.
Cabbolet's onderzoek kon niet
kloppen omdat eruit zou volgen dat
antimaterie een positieve rustmassa
heeft, maar toch van de aarde
afbeweegt onder invloed van de
zwaartekracht. Maar de promotor
Harrie de Swart liet weten dat het
proefschrift bestond uit een strikt
logisch raamwerk met een
natuurkundige interpretatie. Hij was
toch ook niet gek. Cabbolet gaf ten
antwoord dat 't Hooft zich schuldig
maakte aan hol geschreeuw en dat hij
kennelijk de formele logica niet
meester was. Cabbolet kreeg
sedertdien niets meer gepubliceerd
en moest een baan bij de KPN op de
afdeling gebruikersondersteuning
aannemen.
Van de kant van de natuurkundig
geschoolde vrije-energieonderzoekers
is behalve
Tom
Bearden en Stefan
Marinov, ook Prof.
Kanarev van de
plasma-elektrolyse hiervoor
besproken, zeer kritisch over de
huidige stand van de
natuurwetenschap. Hij stelt net als
Marinov dat we weer terugmoeten naar
de klassieke fysica van de 19e eeuw
en de draad weer moeten oppakken
waar we hem zijn kwijtgeraakt. Na
het postmodernisme zijn we aan een
paradigmatische restauratie toe om
de in de moderniteit verstoorde
relatie met de klassieke orde te
herstellen. Marinov stelde in zijn
wetenschappelijke testament: "Ik hoop dat
spoedig de (Newtoniaanse)
tijd-ruimte begrippen, welke ik in
ere herstelde middels vele
experimenten en door een
eenvoudige mathematische theorie,
door de wetenschappelijke
gemeenschap zullen worden aanvaard
als degenen die overeenstemmen met
de materiële werkelijkheid".
Kanarev voegt daar aan toe: "Ik
denk aan een theoretisch virus
genaamd de Lorentz-transformaties
waarop de bewijsvoering van de
relativiteitstheorie van Einstein
is gebaseerd. Bij Lorentz werden
tijd en ruimte in twee aparte
vergelijkingen vervat en
gescheiden van elkaar. Alleen als
men deze twee vergelijkingen weer
heeft verenigd is het mogelijk om
een ware procesbeschrijving te
verkrijgen. Welk natuurkundig
verschijnsel dat ook zou volgen
uit de beschrijvingen van
Lorentz's transformaties, kan men
onmogelijk in de natuur waarnemen."
Hij stelt dat we in de twintigste
eeuw onze onderzoeksresultaten
verkeerd zijn gaan interpreteren; we
zijn volgens hem iets vergeten. "Tijd,
ruimte en materie - het zijn de
drie niet te scheiden elementen
van een universum" (zie interview). En deze eenheid,
die al door de Boeddha werd
gepredikt, is precies het punt dat we in
dit hoofdstuk willen maken. Met de
machines van de rechtstreekse,
directe energiewinning zijn we met
de vrije energie van de ruimte
bezig. Zonder de tijd, de materie en
de ruimte als één onlosmakelijk
geheel te zien kunnen we deze
wetenschap nooit onder controle
krijgen. Niet alleen natuurkundig,
maar ook sociaal-economisch zijn in
de twintigste eeuw tijd en ruimte
twee afzonderlijke begrippen
geworden die geen relatie meer met
elkaar schijnen te hebben. En
daarmee zijn we vervreemd van de
natuurlijke werkelijkheid en van
elkaar en hebben we ook niet
werkelijk greep op de materiële
wereld. Dit gebrek aan
maatschappelijke en
wetenschappelijke samenhang van deze
basisbegrippen van de natuurkunde,
van de heilige drie-eenheid van de
tijd, de ruimte en de materie, ligt
ten grondslag aan de fundamentele
gespletenheid van het oude paradigma
van het relativisme. In dat oude
paradigma ontkennen we de ether,
verdraaien we de tijd wettelijk
bepaald en hebben we de materie van
de planeet, het klimaat en de
energiewinning niet in de hand. En
daarmee zijn we aan het begin van de
21e eeuw ecologisch en psycholgisch
verkeerd bezig, gevangen als we zijn
in politieke, wetenschappelijke en
religieuze ego's als waren we een
stel sociopaten met TBR.
Er is een uitstekende
lezing van een
gerenommeerde natuurwetenschapper
genaamd Tom
Valone te bekijken op het
internet waarin een overzicht wordt
geboden van de complicaties voor de
wetenschap op het punt van de vrije
energie. Hij deed, zonder direct op
de theorie in te gaan, een grote
haalbaarheidsstudie met daarin de
nadruk op het omzetten van
nulpuntsenergie met achting voor
recente ontwikkelingen op het gebied
van b.v. de
nanotechnologie. Hij refereert aan
het werk van Casimir (ruimtedruk op
microniveau), Dr. Fabrizio Pinto (zie ook video en een artikel), Mead en Milonni,
en hij bespreekt en analyseert de
kernprincipes voor het omzetten van
de energie uit het vacuüm. Hij stelt
daarbij, net als Bearden, dat deze
principes vallen binnen de
"thermodynamische, vloeibare,
mechanische en elektromagnetische
gebieden van de fundamentele
krachtsverschijnselen die van
toepassing zijn op alle
energiesystemen". Zo noemt hij b.v.
ook recente ontwikkelingen van
microdioden die, zoals bij Moray, de
vacuümenergie opvangen die in
principe random fluctueert maar heel
reëel is en niet zozeer virtueel,
zoals Bearden in horigheid aan vele
sceptici dat ter sprake brengt. Hij
stelt zo dat het e.e.a. ook van
toepassing is op het kwantumniveau
van de (incomplete) theorie van
elementaire deeltjes. Behalve
Valone, Bearden (zie m.n. zijn
video's Energy From The
Vacuüm; op Google: part 1 & part 2) en Kanarev zijn er
ook individuele en institutionele
onderzoekingen van andere
wetenschappers die worstelen met de
paradigmatische energiekwestie: Lee Felsenstein die ook de
energiesystemen voor computers
bestudeert, Prof.
Pharis Williams over alternatieve
nucleaire energie en
anti-zwaartekracht (zijn site) en Mark Goldes in zijn artikel over
Fueling
the Future with Zero Point
Energy (site) om er een paar te
noemen. Het probleem met het oude
paradigma is dat de gewone man het
niet kan begrijpen. Men ervaart
veeleer de chaos van het
post-modernisme. En wat men niet
snapt kan men ook moeilijk in
verhouding zien, aanvaarden of
afwijzen. Men weet enkel dat het
niet zoveel uitmaakt in het huidige
denkmodel of de klok nu gelijk staat
met de zonnewijzer of niet. Met die
relativiteit van het tijdsbegrip
werd de tijd van zijn klassieke,
absolute waarde ontdaan. De absolute
waarde van de tijd waar I.
Newton vanuit ging, hield
in dat de tijd van de passerende zon
en de maan een niet te betwijfelen
uniforme voortgang van de materie
van het universum inhield die
volkomen gelijkmatig overal
hetzelfde werkzaam is. Einstein
toonde aan dat het begrip
gelijktijdigheid, ondanks de
gelijkheid van het Nu, echter een
illusoir idee is. Hij ging zoals
gezegd uit van het axioma van een
constante lichtsnelheid in de
ruimte. De tijd is dan altijd en
overal anders, is volkomen relatief.
Ook het klassieke etherbegrip - de
ether als een aparte substantie die
alomtegenwoordig is - dat Einstein
vóór 1920 niet echt meer nodig vond
in de natuurkunde, verklaarde hij,
dus later van gedachten veranderd op
dit punt, relatief: de ether betrof
volgens hem de ruimte met fysieke
eigenschappen, de ruimte in de vorm
van een bepaald krachtveld dat per
planeet, ster en melkwegstelsel
anders van werking is. Dat
krachtveld maakt verschil in de
relatie met het krachtveld van de
tijdruimte die de uitdijing van het
heelal vertegenwoordigt in een soort
van vierde dimensie van de tijd
waarin alle universa zich uit elkaar
bewegen. Wat betreft de ether
ontstond, met deze verandering van
mening van Einstein terwille van het
nieuwe, relatieve etherbegrip
(waarmee hij begon in 1916, zie Kostro
2000), het probleem dat
we de natuurkunde zelf ook niet meer
als absoluut geldig kunnen zien (zie
ook het artikel
over Einstein op de info-afdeling van deze site). Het
zijn steeds paradigmatische visies,
meningen of gezichtspunten min of
meer, bepaalde vormen van taal
bestaande uit zelf gedefinieerde
termen, die net zo werken als de
verklaringsmodelllen van historici,
psychologen, sociologen, filosofen
en klimatologen b.v., of zoals Tesla
het dus noemde: een natuurkundig
geloof, een vorm van mathematische
metafysica waarin de mysticus
in kwestie voorop staat en het
aankomt op het juiste conceptuele
'gevoel' voor de kwestie. Ook in de
natuurkunde wisselen de meningen,
definities en methoden en die houden
zo dan mogelijkerwijs andere
onderzoeksresultaten en
meetinstrumenten in. Met het
aanvaarden van een relatieve ether,
in combinatie met het afwijzen van
het relativisme dat de ether
helemaal niet wil kennen, praat
ondergetekende nu dapper mee in deze
vrijheid en baseert zich daarbij,
meer vanuit een praktisch
psychologisch en klassiek
filosofisch gezichtspunt dan een
vanuit een natuurkundig mathematisch
gemystificeerd standpunt, op het
meetinstument van de tempometer en het erbij
behorende begrippenkader dat als het leidende
paradigma fungeert om de
redeneringen aaneen te rijgen tot
een samenhangende visie.
De Einsteiniaanse
'deuk' in de tijdruimte waarop het
huidige
denken over de zwaartekracht en de
relatieve ether berust.
Bij de
twintigste-eeuwse natuurkunde sluit
het idee van de relatieve ether
zoals hier gepresenteerd in eerste
instantie aan bij wat men scalaire gravitatietheorie noemt. Dat is een
theorie waarin de zwaartekracht
wordt beschreven als een invariant
veld van deeltjes met een spin van
nul (z.g. bosonen) waarop de
tijd/ruimte-verschillen van de door
Kanarev gehekelde
Lorenz-vergelijkingen van toepassing
zijn. Rond de eeuwwisseling is er
sprake van een nieuwe
zwaartekrachttheorie van David W. Allan,
Ranae Lee and Jeff Lorbeck uit 1999.
Daarin ligt de nadruk op vanuit de
kern van alle materie uitwaaierende
diallele zwaartekrachtlijnen (zoals
in ons cakra-ontwerp voor een
magnetische motor). In die visie
worden de vier fundamentele
natuurkrachten ondergebracht in één
verenigde veldtheorie. In een meer
recente ontwikkeling spreekt men
sedert 2002 van het Aether Physics
Model (David Thomson III
en Jim D. Bourassa, zie ook hun boek) dat de derde grote
revolutie in de natuurkunde vormt na
de atoomtheorie van Dalton in 1803
en de Relativiteitstheorie van
Einstein in 1905. Ons daarin weer
opnieuw aansluitend bij het
klassieke ethermodel, zien we de
tijd zelf als een vorm van energie
die voorafgaat aan de tijd die
manifest is in de driedimensionale
wereld: evolutionair bestaat de
expanderende, lineaire tijd van de
tijdruimte er voordat er de
cyclische tijd van de geschapen
materie is. Er zijn dus twee
fundamentele vormen van tijd: de
cyclische en de lineaire tijd.
Lineair is er de energie van
beweging die uitdijt en entropisch
tot chaos leidt en cyclisch is er de
energie van een wervelende tijd die
tot orde, tot
structuurverschijnselen leidt en
patronen vormt, lichamen van materie
met longitudinale en transversale
golven en zwaartekrachtlijnen en
velden die bestaan uit deeltjes. De
tijdruimte tijd is zo bezien pure
oerenergie die zich mathematisch
laat uitdrukken zoals de materiële
energie zich laat uitdrukken in de
termen E=M.C2. We beginnen de
schepping dan met de vergelijking
E=T.e2. Energie is gelijk aan het
product van de tijd en het absolute
van de expansie (waarin T is dan in
feite delta T of de verandering van
tijd is, zie ook het artikel Scalar
Wars). Je kan ook zeggen
dat de tijdruimte, de z.g. vierde
dimensie, een energiemanifestatie is
waarin de tijd zelf nog de
oerenergie is, de donkere energie
die feitelijk slechts een
oerpotentie van alle kosmische
energie in evenwicht is. Pas als die
energie in de secundaire ether (de
ether van de samentrekking), in
werveling komt, uit evenwicht raakt
of zijn symmetrie verliest zoals de
nobelprijswinnaars van 1957 Chen Ning Yang, Tsung-Dao
Lee
het stelden, ontstaan er
energiedeeltjes die eerstens nog
'onzeker' zijn: gravitonen,
zwaartekrachtdeeltjes of
etherdeeltjes die niets anders dan
kleine, polaire, maar nog chaotische
wervelingen van de oerenergie zijn
van de tijd zelf (formeel met een
spin van twee en niet van nul). Het
Ether Physics Model stelt het zo: 'The
Aether has a dipole of two
spheres, which arise as the
oscillation of forward and
backward time.' Die
gravitonenvibratie vormt de bron van
de zero-point energie, de
vacuümenergie of de radiant
energy zoals Tesla het noemde.
Of zoals T.H. Moray het stelde: "Radiant Energy
is particles of energy, just as
light is wavelengths .." Onzeker betekent
dan het virtueel wel of niet
aanwezig, zichtbaar of meetbaar zijn
dat voornamelijk afhankelijk is van
de meetmethode of het gebruikte
paradigma: dat kwantummechanisch
'ruimteschuim' dat Bearden het
'bubbelen' van het plus en het min
van het vacuüm noemt, ofwel het
koken of kolken van de
vacuümenergie. Die gravitonen vormen
eilanden, of wolken in de oerruimte,
eilanden van zwaartekrachtvelden of
tijdruimtedeuken, een soort van
zwaartekrachtmist (de Grieken
noemden het aether of damp).
Die eilanden sluiten allemaal op
elkaar aan, zo stelde reeds René Descartes het
die als een van de eersten het
zelforganiserend vermogen van het
universum omschreef in deel vijf van zijn
methode en in zijn niet
gepubliceerde werk Le Monde.
Hij beweerde o.a. in dit verband:
'De lege ruimte bestaat niet' (Principia
Philosophiae XVI & XVII) alsmede dat al het
bestaande een transformatie van de
ether is.
Een
verwante historische voorganger van
het nieuwe ethermodel is de Kaluza-Klein
theorie vanTheodor Kaluza (1885-1954) uit 1921
die uitgaat van een vijfde dimensie
die de zwaartekracht verenigt met de
elektromagnetische kracht. De
vijfde, niet zichtbare dimensie
bestaat daarin uit gecompacteerde,
of zoals de zweedse wiskundige Oscar
Klein (1894-1977) het
noemde, 'opgerolde' ruimte. De
theorie werd recentelijk (sept 2008)
aangevoerd door de braziliaanse
wetenschapper
dr Keppe ter verdediging van het
begrip van energie als het resultaat
van de interactie met, en van,
virtuele velden en deeltjes of van
dat wat je evolutionair gezien protomaterie
kan noemen van een hoger niveau. Met
Einstein's formule E=M.C2
zijn we volgens hem teveel gaan
geloven dat we materie moeten hebben
om energie te verkrijgen. Materie is
echter eerder een condensaat van
(donkere) energie. Deze theorie,
door hem aangevoerd samen met het Aharanov-bohm
effect dat energie onttrekt
aan kwantum potentialen en dat als
een verklaring voor Bearden's MEG
geldt, zou dat volgens hem
ontkrachten en zijn Bedini-Newman
achtige superefficiënte Keppe-motor
(de Keppien Scalar
motor, energiereductie tot
80 %) zou het revolutionaire bewijs
ervan vormen. Dit idee van energie
uit een andere dimensie dan de ons
bekende drie, of vier, sluit weer
aan bij de latere snaartheorie die uitgaat van
meerdere dimensies (10 stuks) van
vibrerende, onderling verbonden
'snaren', vibrerende onderling
verbonden energiefenomenen, meer dan
van kwanta of energiepakketjes als
fundamentele deeltjes. Het graviton
of zwaartekrachtdeeltje zou in deze
theorie een niet-verbonden, gesloten
vibrerende snaar zijn die de ruimte
vormt. De snaartheorie wordt daarmee
een Theorie van Alles, een theorie
die de vier verschillende
fundamentele natuurkrachten
verenigt. Het graviton zou daarin
enkel een losstaande vibratie van de
tijdenergie zijn. Ookal laat het
graviton zich volgens Bohm-Aharanov
wel tot manifestatie verleiden als
een ruimte-reactie op een gesloten
magneetveld, kan het, niet
vastzittend aan de andere dimensies,
dimensionaal verschuiven, reden
waarom de zwaartekracht zo zwak zou
zijn, en wellicht vormt dat ook de
reden van het schijnbaar
dimensionaal verschuiven (uit het
niets verschijnen en verdwijnen) van
waargenomen UFO's.
Het echtpaar
Correa stelt in hun
aetheriometrics als definitie: "Gravitons
are transient,
nonelectromagnetic massfree
energy particles whose impulse
(gravitational momentum) is
anchored to the mass-energy of
particles of Matter, but which
are emitted from the local
Aether medium (formed by the
constant and ordered flux of
dark massfree energy and
cosmological lepton lattices).
Both gravitons and antigravitons
may also be formed and seated in
the composite lattices composing
the local Aether medium.
Gravitons anchored to
mass-energy particles are
described mathematically and
physically as being in a
relationship of secondary
superimposition with that
mass-energy." Waar bij
Einstein sprake is van een
massa/energie verhouding, is in de
theorie rondom het graviton sprake
van wervelingen van de donkere
oerenergie van de tijd, van een
moment/energie verhouding dus.
Evolutionair ontstaan vanuit de
eilanden van de gravitonenwolken
daarna dan de elektromagnetische
velden in wat Einstein de kromme
ruimte noemde rondom de uit de
gravitonendamp 'condenserende'
hemellichamen. Op lokaal niveau
manifesteren de gravitonen zich in
dat condensatieproces daarbij
evolutionair in een verder
opgesplitste vorm: die vormen dan
de elektromagnetisch actieve
materiedeeltjes in relatie tot de
derde ether, of de lokale ether
van de kromme ruimte. Na de eerste
expansie van de tijdruimte-energie
kwam er dus ten tweede de
tijdruimtevervoming in de vorm van
de gravitonenvelden waarin er met
het polariseren van de gravitonen
in een veld van aantrekking er in
het laatste stadium van de
evolutie het ontstaan van
elektronen en protonen met een
tegengestelde lading is (de
'rechtsom' en 'linksom' draaiende
tijdenergie in een spoel). Die
twee basisdeeltjes bereiken dan
een stabiele staat
samen met het neutrale van de
alomtegenwoordige tijdruimte. En
dat neutrale laat zich dan
herkennen in de vorm van het
neutrondeeltje. De uitvinder
Joseph Newman spreekt in zijn
video 'Cut the cost of
oil' van 'gyroscopische
elektromagnetische deeltjes'
die met een dwars op een spoel
bewegende magneet in een bepaalde
richting meer stroom uit die spoel
opleveren dan er nodig is om de
magneet te draaien, omdat ze dan
vanuit de buitenruimte
aangetrokken door de draaiende
magneet polariseren. Het is een
energieproductie die met een
draaiende magneet twee kanten
oploopt en zo overunity te
zien geeft. In één richting zien
we slechts een transformatie van
de kinetische energie in
elektrische energie als we de
terugloop van wat de uitvinder
Gray 'negatieve energie' noemde
als storing via de aarde laten
wegvloeien. In het Aether Physics
model spreekt men in samenhang met
het graviton over een 'aether-unit' met
een intern tegengestelde
tijdrichting dat bestaat uit
een positief proton en een
negatief elektronaspect dat zich
kwantummechanisch spiegelt met een
antiproton en een positron
(afbeelding rechts). In die
etherunit van het rondraaiende
veld dat de ruimte vormt, is er
dan volgens het Aether Physics
model sprake van drie
polariteiten: de
elektromagnetische, de
elektrostatische en de
gravitationele kracht (afbeelding
rechts). Waar het model spreekt
van een reverse time (zie
afbeelding rechts), moeten we
echter een kanttekening plaatsen:
de tijd gaat natuurlijk niet
terugwaarts, ze verandert alleen
van richting. In hoofdstuk twee
zeiden we al dat er lineaire en
cyclische tijd is. De cyclische
tijd is het resultaat van het
veranderen van richting van de
lineaire tijd van een naar buiten
uitdijende, 'forward'
richting van de energie van het
universum naar een naar binnen
gerichte 'reversed'
richting waarmee de materie
uiteindelijk in zichzelf stort in
een zwart gat. Omdat de uitdijing
overweegt ontstaat er echter een
evenwicht in de vorm van de tot
inertie bewogen energie van de nog
steeds wel dynamische materie die
tussen de uitdijing en aantrekking
zijn bestaan vindt: de cyclische
tijd. Dus uiteindelijk kennen
we de orde van de tijd in drieën:
de twee vormen van lineaire tijd
en de cyclische tijd. De drie
stroken met de drie vormen van
ruimte en dus ook met de drie
vormen van de ruimte-energie waar
we met de ethertechnologie mee
bezig zijn en die we in hoofdstuk
twee eveneens hebben uitgeduid. Nulpuntsenergie
staat zo voor de 'forward' time,
vacuüm-energie staat voor de
'reverse' time en de radiant
energy staat voor het
fenomeen van de cyclische tijd.
De uitdijing strookt met de
kosmische nulpuntsenergetische
tijdruimte, de aantrekking met de
universele vacuümruimte van een
sterrenstelsel en de cyclische
tijd is de tijd beschreven door de
lokale gekromde ruimte van om
elkaar heendraaiende,
elektromagnetische, radiant-actieve
hemellichamen. De cyclische tijd
is de tijd van de materie dus en
zo zijn we dan, wetenschappelijk
bezien, materieel gebonden aan de
tijd beschreven door de zon, de
maan en de sterrenhemel. Dat
samenstel van natuurlijke ritmen
vormt dus de 'meesterklok' die
door alle mensenklokken slaafs
gevolgd dient te worden zoals men
in de achtiende eeuw in Frankrijk
ook sprak van meester- en
slaafklokken op een lokaal ofwel
plaatsafhankelijk niveau van
tijdmeten. Volgt de klok niet
slaafs de natuur, dan zijn de
mensen zelf de slaven van het
cultuurneurotische,
standaardtijd-politieke ego tot ze
hun lesje geleerd hebben. Je kan
immers pas vrij met de orde van de
tijd zijn als je die orde
eenduidig voor je ziet, anders kan
je niet kiezen overeen te stemmen
of niet. Niet het ontkennen of
weerstreven met tijdzones en
gemiddelden van de natuurlijke
orde is de vrijheid, maar het
individeel naar omstandigheid
improviseren erop. In een systeem
van ontkenning is er slechts de
onbewuste dwangmatigheid van in
orde willen zijn met een systeem
dat feitelijk zelf niet
overeenstemt; dat voelt nooit
lekker, en dat geeft psychische
problemen. Om die problemen op te
lossen moeten we terugkeren naar
de natuurlijke orde van de tijd.
Het is individueel - maar niet
collectief - eenvoudig te doen met een klok en een kalender die
met de zon en de maan meelopen, maar het gaat
hier nu om meer, het gaat om de
totale wetenschappelijke manier
van doen, het denkmodel, het
paradigma van omgaan met de
fundamentele natuurkrachten van de
tijd, de materie en de ruimte. Het
energieconcept van onze culturele,
gemanipuleerde tijd is te
destructief geworden, verkeert
teveel in strijd met de
natuurlijke werkelijkheid. En
daarom zijn we op zoek naar de
juiste methode om dat probleem en
ook het psychische probleem dat
erbij hoort op te lossen. Met het
relativisme zijn we vastgelopen
met kerncentrales die niet
duurzaam functioneren en duurzame
methoden die niet efficiënt genoeg
zijn. Uranium raakt uitgeput, de
zon schijnt niet overal en altijd
even fel e.d. De speurtocht naar
een werkbare wetenschapelijke
formule op basis waarvan we naar
behoefte vrije energie kunnen
genereren uit de ruimte, de meest
ideale vorm van duurzame energie,
komt dan ook neer op de speurtocht
naar de operationele definitie van
wat je tijdenergie zou kunnen
noemen, de energie die het
resultaat is van de werking van de
verschillende krachten - het
expanderen, contraheren en roteren
- van de tijd in samenhang met het
krachtveld van de ruimte, de
ether. Een ethermachine is
feitelijk een tijdmachine die zo
efficiënt als mogelijk werkt op
basis van de neiging van de natuur
tot rotatie. We zijn op zoek naar
een nog niet ontdekte natuurwet
van de tijdenergie. Die wet
formuleert het verband van de
parameters van de rotatie die een
intrinsiek gegeven van de
materiële natuur vormt en die
steeds voor ons klaarstaat. We
hoeven die rotatie alleen maar op
de juiste manier, op deze
wetmatige manier, aan te spreken
of te ontketenen met onze
ethermachine. We doen dus met zo'n
machine niet een rotor draaien, we
staan die rotatie waaruit we
elektriciteit willen genereren
meer gewoon toe of geven die de
juiste kans. Die rotatie van de
tijdenergie is eigen aan de
ether-eenheid die de
niet-materieel manifeste basis
vormt van alle materiële
manifestatie. De ether-eenheid
evolueert met de cyclische tijd
opgesplitst in moleculaire,
elektromagnetisch samenklevende
dipolen van kernen en
elektronenwolken die allen spin
ofwel draaiing hebben. Zo hebben
de ethermachines dan iets weg van
klokken: ze moeten allen de
verhoudingen van de ruimte-energie
timen om zo de drift, de dynamiek
ervan te vangen en om te zetten.
Aangezien we de evolutionair in de
natuur opgesplitste gravitonen
kunnen aanduiden met de term
elektromagnetische materie kan men
in principe zo bezien dus met een
machine uit de vrij vanuit het
vacuüm beschikbare gravitonen als
de grondstof in combinatie met de
lineaire energie van het neutron
alle vormen van energie en materie
scheppen. De replicator van
Startrek werkt op vacuümenergie.
In de koude fusie experimenten
zien we al een soort van alchemie,
of transmutatie van elementen,
ontstaan met het onverwacht in het
vat ontstaan van atomaire deeltjes
die er voorheen niet waren.
Samenvattend is er een hiërarchie
van deeltjes: a - het
tijddeeltje van pure energie, b
- het graviton dat een dubbelspin
'onzeker' energie deeltje is van
een dubbele, voorwaartse en
omgekeerde tijd, en ten slotte c
- dan de zich manifesterende
drievoudigheid van die energie in
de wervelingen van de normale
deeltjes die atomen vormen, atomen
die dan niet meer virtueel zijn
maar zichtbaar, atomen die
gemanifesteerd een bepaalde
verhouding zijn aangegaan die we
kunnen terugvinden in het periodiek systeem
der elementen. En zo komt de
energiekwestie dan neer op een
zekere ordening van de tijd zoals
een Pythagoras-boom groeit: als een
zich steeds verder opsplitsende
fractal, of als de
graancirckel naar links en rechts
bovenaan de
pagina.
Laten we deze fundamentele
gedachtengang voor het nieuwe
paradigma nog een keer doorlopen:
in het begin van de schepping is
er eerst het niets, 'het slapen
van God' zeg maar, dan is er
'wakker' de lineaire tijd van de
uitdijende tijdruimte: de donkere
energie, de pure tijdenergie die
enkel maar lineair de uitbreiding
is. Dan ontstaat uit die lineaire
tijd, door een verstoord
evenwicht, door een gebroken
symmetrie, een tegenkracht,
de cyclische tijd, als een
opsplitsing t.o.v. die oerether.
Zo ontstaat dan vanuit de
tijdruimte de driedimensionale
ruimte die vol is met gravitonen
of wervelingen van de cyclische
tijd, pure tijdwervelingen dus van
de oerether. Deze laatste fase van
lichtmanifestatie is wat in de
tijdlijn wordt weergegeven van het
kosmisch bestel zoals de huidige
wetenschap die zich die voorstelt.
Daarin is er manifestatie vanaf
het begin en is de donkere energie
er pas later. Maar in een
hiërarchische visie zoals hier
gepresenteerd gaan er fasen aan
vooraf en gaat de donkere energie
vooraf aan de manifestatie. Deze
gaat van E=T.e2 naar
E=T.d2: de tijd die
expandeert (e2) wordt
eerst driedimensionaal (d2).
Dan pas materialiseert vervolgens
de materie zich als een verdere
opsplitsing van de gravitonen in
de universele (secundaire) ruimte:
ze vormen dan de lokale
ethersferen van de gekromde
(tertiaire) ruimte.
De tijdlijn
van het kosmisch bestel vanaf de Big Bang volgens het oude
model
Dit is in
overeenstemming met de natuurkundige
bewering "it appears possible to
regard curved spacetime as
consisting of a condensate of
gravitons" die we vonden in de wikipedia
onder het lemma quantum
gravity. De initiële
uitdijing strookt met de inflatietheorie van
Gurth uit 1981. Van E=T.d2
zijn we met de manifestatie van de
materie dan aangeland bij E=M.C2:
de tijdenergie E is de materie M die
gebonden is aan de lichtsnelheid (C2)
die dan lokaal bepaald is, die dan
afhankelijk is van de afstand tot de
singulariteit waar ze naar terug wil
keren om haar oorspronkelijke
energetische evenwicht te vinden. Zoals we al eerder
zagen is de constante
lichtsnelheid in het nieuwe
paradigma een relatieve constante en
niet een absolute constante. Het is
namelijk de factor tijd die de
constante van verandering vormt in
de drie basisvergelijkingen om de
verschillende energievelden van de
relatieve ether te omschrijven. De
drie vormen van ether, die van de
expansie (e2), die van de
dimensionaliteit (d2) en die van de
lichtsnelheid in relatie tot de
manifeste materie (C2) , zijn er dan
als de respectievelijk neutrale,
positieve en negatieve deeltjes
waaruit onze normale materie is
opgebouwd. De uitbreiding blijft dus
constant bestaan en zo groeit
dan alle materie en ruimte
constant, ook al blijft de
verhouding hetzelfde. De afstand
tussen de aarde en de maan die ieder
jaar met enkele centimeters toeneemt
zou als maat voor die groei kunnen
dienen. Er worden steeds neutronen
gevormd uit de toename van de
oerether die zich met de vrije
gravitonen van de ruimte tot materie
vormen. Die nieuwe materie vormt
atomair een kloon van alle bestaande
vormen van materie die dan relatief
dezelfde vorm houdt. Op de planeten
kan men de tekenen ervan zien in de
vorm van scheuren in het oppervlak.
Ook op de maan kan men dergelijke
striae of scheuren zien naast de
richels van enkele kilometers lang
die een miljard jaar geleden
ontstonden toen
de
maan
tijdelijk kromp en afkoelde.
Na [en voor] een aanvankelijke krimp
kan er heel goed een expansie hebben
doorgezet. Deze visie biedt eveneens
een alternatieve verklaring voor de
drift der
continenten op aarde die zich
makkelijk tot een sluitende bol laten samenvoegen zoals de
striptekenaar Neal Adams dat op zijn website toont. De theorie stamt
van de australische geoloog Samuel Warren Carey (1911-2002) die in
vergetelheid is geraakt met de nu
heersende theorie van de
continentale subductie, het
uitrekken en over elkaar
heenschuiven van de continentale
platen onder invloed van
convectiestromen in de aarde. Die
theorie kon de toename van het water
niet verklaren. Maar, als het hele
universum zich steeds verder
uitbreidt meer dan hij samentrekt,
hetgeen een bewezen en aanvaarde
zaak is binnen de heersende
natuurkunde, waarom zou dan niet een
planeet uitdijen? Het is gewoon
logisch. Met de uitdijing van alle
materie voor ogen zien we de meren
en rivieren uitgroeien tot oceanen
en de landmassa's uiteendrijven als
een te krappe korst rondom een
japans nootje. In magnetisch opzicht
vormt de hele schepping met die
constante uitbreiding zo een
gigantische monopool die de basis
vormt voor de winning van de vacuüm-
of etherenergie. Er is steeds vrije
energie omdat er steeds de beweging
van de uitdijende manifestatie is
die wil terugkeren naar zijn
oerbron, naar zijn singulariteit.
Het is met de interactie van de drie
basisvormen van de ether in de vorm
van de elementaire deeltjes een
dynamisch krachtenspel van uitdijing
en samentrekking, een soort van
constante integriteitsspanning van
alle materie in de lokale ether die
op weg naar haar oorsprong dan onder
invloed van die constante druk in
een cyclische beweging verkeert in
de vrije ruimte. Die lokale ether
vormt daarbij een soort van vierde,
holistisch materiedeeltje dat de
integriteit van de verhoudingen van
de uit protonen, neutronen en
elektronen opgebouwde materie en de
ruimte behoudt: dat deeltje dopen we
dan hierbij met de benaming van het
integron. Voorafgaand aan de
manifestatie bestaat de ruimte uit
gravitonen en universele
etherdeeltjes, de virtuele plus- en
mindeeltjes die Tom Bearden de
fotonen en antifotonen noemt. De
gravitonen splitsen zich bij de
manifestatie van de materie in
protonen en elektronen en het
universele etherdeeltje, de
tegenhanger van het graviton,
splitst zich dan in een lokaal
etherdeeltje of een naar integriteit
strevend integron en een neutron dat
de lokale representatie van de
uitdijende oerether vormt. Zo vormen
de vier elementaire deeltjes samen
met de relatieve, dynamische ether
dan een parallel voor de vier
basiskrachten die de natuurkunde
kent: de
zwaartekracht (het graviton), de
elektromagnetische kracht (de elektronen en
protonen), de sterke
kernkracht die alles bij elkaar
houdt (het integron) en de zwakke kernkracht (het neutron dat
steeds tot verstrooiing en verval
leidt op den duur). In één adem
gezegd: eerst is er de tijd, dan de
werveling ervan en dan de
opsplitsing ervan in de drie
basisdeeltjes van de materie plus
een holistisch integriteits-effect
dat ook wel als het lokale
etherdeeltje of integron te
beschrijven is. De etherdeeltjes
zijn steeds deel en geheel, zijn 'part
and parcel', of holondeeltjes - naar het holon
zoals het hongaarse multitalent Arhur Koestler
(1905-1983) en meer recent de
holist Ken Wilber het als een
filosofisch begrip verdedigden. Het
in onze theorie drievoudige
holondeeltje van de ether
(drievoudig op de drie niveau's van
manifestatie van de ether) staat
model voor de individualiteit van
alle organismen, of voor de
integriteit van de materieel
manifeste personen die we zelf zijn.
Waar Wilber spreekt van vier
kwadranten in dit opzicht die staan
voor de dimensies van het
individuele versus het collectieve
en het interne versus het externe,
onderscheiden wij hier de zaak meer
in termen van de kwantiteit en
kwaliteit (resp. het
individueel/sociale tegenover het
concreet/abstracte) in de velden van
handelen die de integriteit
van een persoon in samenhang met de
orde van de tijd en de krachten van
de ether moeten garanderen. Per slot
van rekening gaat het in de
beschrijving van de manifeste wereld
om het opheffen van de illusie die
een verschil tussen de binnen- en de
buitenkant vormt. Het gaat om de
orde van het leven, om de orde van
de tijd die feitelijk de materie
vormt, de materie die we in relatie
tot de ruimte kennen als een
etherisch krachtenspel.
De evolutie
verloopt dus, samenvattend, van de
potentiële tijdenergie, via het
stadium van de reële, 'dubbele',
gravitatie-energie naar het eindpunt
van de elektromagnetische
uitgesplitste, en holistisch integer
gehouden, manifeste energie van de
materie. Iedere evolutionaire stap
toont een nieuwe vorm van de
relatieve ether die in interactie
dus de hele manifestatie vormt: de
oerether, de universele ether en de
lokale ether, of zoals Einstein het
zegt: de tijdruimte, de normale
driedimensionale ruimte en de kromme
ruimte rondom hemellichamen. Als we
teveel op de holondeeltjes letten
zijn we holisten, maar als we de
tegenhanger van die deeltjes met de
deeltjes van de normale ether bezien
en achting hebben voor de
energetische effecten met de tijd in
de veden van handelen die dat geeft,
zijn we filognosten, mensen die zich ook
spiritueel kunnen verenigen in de
liefde voor de kennis. En deze
hiërarchische redenering is dan in
overeenstemming met de conclusie van
de vele klassieke wijzen en
geleerden uit het verleden die net
als Descartes steeds beweerden dat
alle materie een omvorming van de
ether is. Zo stelt Vyâsadeva in de
Brahmâ Sûtra (Adh2.
P3: 1-7) dat de -
pradhâna of
ongedifferentieerde - ether het
eerste effect van de schepping is
waarna toen de overige elementen van
eerst de lucht (de 'damp'), en toen
het vuur, het water en de aarde van
de lokale orde verschenen (Bhâgavata
Purâna 3.5:
32-36).

Een
tektonische breuklijn op de maan die
een aanduiding vomt voor de
constante groei van planeten en
andere hemellichamen.
Dat wat
antimaterie heet en door de moderne
natuurkunde wordt gepostuleerd als
een noodzakelijke tegenhanger van de
materiële ontwikkeling van de
tijdenergie als hiervoor beschreven,
Wilbers binnenkant zeg maar, moet
een overeenkomstige evolutie
doorlopen. We kunnen met onze
hiërarchische indeling dan niet
werkelijk spreken van een
anti-universum. Het materiële is tot
dezelfde oerbron terug te voeren als
de antimaterie. Beiden streven naar
eenheid en vormen slechts een
primaire dualiteit in het universum,
een dualiteit die we reeds in de
oudste geschriften van de wereld als
een noodzakelijkheid aantreffen.
God, als de integriteit van het
grote geheel, als een persoon, zou
er vanaf het begin van de schepping
zijn volgens de antieke opvattingen.
Die God kan je dan niet zien en is
tijdloos. Het spirituele met God
vormt de tijdloze tegenhanger van de
materie die echter ook van God komt.
De materie vormt het zichtbare
lichaam van de God die stelt dat je
niet je lichaam bent, de materie is
de gigantische gedaante van de virâtha
rûpa, zo stelt the Bhâgavata
Purâna in 2.1. Die God vormt het zelfbewustzijn
als de tegenhanger van de
tijdruimte. En dat zelfbewustzijn
laat zich pas in tweede instantie
kennen als een dualiteit van een ego
in relatie tot de eeuwige gelukzaligheid
en liefde van God. Het ego, of
ik-besef dat niet-geïdentificeerd
met de materie ook wel de
individuele ziel heet, kent men in
derde instantie, d.w.z. nog weer een
niveau van manifestatie verder, met
de twee elementen van de geest
en de intelligentie via het
proces van vereenzelviging, een
proces dat men soms het vervalsen
van het ego noemt (ahamkâra).
De tegenhanger daarvan wordt gevormd
door de dualiteit van man en
vrouw, de god en de godin,
die in de zaligheid hun liefdesleven
hebben. En die liefde moet, voor de
ongeziene God gaand, weer terugkeren
naar een gemeenschappelijk
zelfbewustzijn, een zelfbewustzijn
dat geregeerd wordt door de
Superziel van de oorspronkelijke
persoon of integriteit van het
universum. De geest wordt dan in de
meditaties de vijand die met de
intelligentie onderworpen en naar
binnen gericht weer via het ware
ik-besef naar het zelfbewustzijn
moet worden geleid. En dat
zelfbewustzijn is dan weer terug te
voeren is op de oereenheid van God,
de oorspronkelijke ziel die
natuurkundig de singulariteit heet.
En zo is er
dan een even zo complexe,
parallelle, geestelijke of
spirituele werkelijkheid die meer
als een tijdloze verscheidenheid
boven of naast de materie staat als
de reflectie erop dan dat die
werkelijkheid tegen de tijd gekeerd
zou zijn. Aldus spreken we van een
materiële wereld en een spirituele
wereld, een fundamentele dualiteit
van leefwerelden waartussen men zich
in het leven beweegt. Als we een
theorie van alles willen hebben,
moeten deze werelden in deze
hiërarchisch-structurele visie op de
persoon en de materie, in dit nieuwe
paradigma voor de wereldorde, worden
gecombineerd zodat iedereen er een
plaats in heeft, zodat een ieder
gerespecteerd kan worden en
conflicten daarmee beëindigd kunnen
worden. Zo spreekt ook b.v. een
celbioloog als Bruce
Lipton van een nieuw
paradigma waarin de wetenschap en de
spiritualiteit convergeert nadat hij
ontdekte dat het celmembraan van een
cel in een organisch lichaam
informatie overdraagt op de
celinhoud, m.a.w. dat wijzelf
alsmede onze plaats in het universum
onze fysieke materiële orde bepalen,
ook op celniveau, en dat de genen
ons niet zozeer commanderen maar
meer als dienaren voor ons klaar
staan. De eiwitschakelaars die ons
leven beheersen zo vond hij,worden
primair beheerst door prikkels van
buiten de cel, door onszelf, door de
omgeving, door het universum. De
beide werelden hebben elkaar nodig
en kunnen niet zonder elkaar
bestaan, precies zoals de ruimte
niet zonder de materie en de tijd
kan bestaan en de oude natuurkunde
het ook niet kan stellen zonder de
antimaterie. Het geheel van de
hiërarchische deeltjestheorie laat
zich dan als volgt weergeven:
Uitgaande van één ziel
of alles verbindend zelf dat ten
grondslag ligt aan de verstrengelde
geestelijk/materiële kwantum
werkelijkheid van wat we ook kennen
als Ervin
Lazlo's
informatiedragende Akashaveld of het
Aeonen-spel, het spel van de complexe
relativiteit van de hiërarchische
'conische matrix' van de psychomaterie
van de ruimtetijd zoals geformuleerd
in de Aeonentheorie van de franse
fysicus Jean
Emile Charon (1920-1998), komen we
met de HDT uit op een pyramide die de
gehele werkelijkheid beschrijft en
daarbij een alternatieve visie biedt
op de ontwikkeling, functie en
betekenis van het bewustzijn en de
evolutietheorie zoals we die anders
zijn gaan bekijken sedert Theilhard
de Chardin (1888-1955) het had
over de evolutie van ook het
bewustzijn (zie ook een lezing van Gerrit
Teule - 'Wat Darwin niet kon weten' - n.a.v. zijn boek
hierover). Het is in feite een
dubbele Tetraktys, een dubbele 1-2-4-8
versie van het pythagoreïsche 1-2-3-4
symbool voor de kosmos. In deze
driehoek, die in de HDT voor zowel het
manifeste als het niet-manifeste
staat, toont zich de orde van het
geleidelijk in opeenvolging vanuit de
monade evolutionair ontstaan van de
diade, de triade en de tetrade als de
basisverdeling van de schepping.
Respectievelijk staan die vier
traditioneel voor de singulariteit van
het oerbegin van het hebben van o
dimensies, de eenheid; de
tweevoudigheid van één dimensie, van
een lijn, van de polariteit van de
wereld; de drievoudigheid van twee dimensies,
een plat vak, een vergelijking van
polariteiten in het woord; en de
viervoudigheid van het hebben van een
driedimensionale wereld bestaande uit
de vier basiselementen of
basiskrachten der natuur. De esoterische
Pythagoreërs zworen op dit symbool
van de eeuwige vernieuwing zelfs een
eed:
Ik
zweer bij Hem
die in onze zielen
de heilige Tetraktys heeft
geplant,
de bron van de Natuur wier
oorzaak Eeuwig is.
(Ou ma
ton hameterai geneai paradonta
Tetraktun, Pagan aenaou
Phuseôs Rhizôma t'
ekhousan).
Voor het nieuwe
energieparadigma dat we modern
begrijpen als een theorie
van de kwantum-zwaartekracht, hebben we het
etherbegrip dus absoluut nodig,
d.w.z. het etherbegrip van de
Einstein van na 1920 dus die de
ether als zijnde relatief
verdedigde, omdat het begrip van de
ether simpelweg in één enkele term
de verzameling van de natuurkrachten
en velden - of 'tijdruimte-deuken'
beschrijft zoals we die hiervoor
beschreven hebben bij het bespreken
van de natuurlijke oerbronnen van de
energie die verder niet tot een
andere bron te herleiden zijn. De
verzamelterm voor de natuurlijke
energiebronnen waar we uit putten
met een directe omzetting i.p.v. een
indirecte transformatie van de
energie die vrij voorhanden is in de
natuur, zo stellen we hier dus voor,
is de ether, de ether die we samen
met Einstein dan definiëren als de
ruimte met materiële eigenschappen
of als een krachtveld en niet zozeer
als een uniforme alomtegenwoordige
substantie. Met de nieuwe machines
kunnen we zo dan spreken van ethermachines.
Deze machines, zoals in het vorige
hoofdstuk besproken, betrekken zich
op één van deze drie
basis-ethervormen, dan wel op een
combinatie of interactie van de
fundamentele natuurkrachten met
dezen - het duidelijk stellen van
deze zaak vereist nadere precisering
en onderzoek.
De nieuwe
manier van denken moet uiteindelijk
de verschillende effecten die door
de uitvinders werden gevonden
verklaren. Er moet een antwoord
gevonden worden op de vraag hoe we,
naast wat we zagen in de afdeling
onverklaarde fenomenen (UFO's,
Graancirckels en Aliens), in één
samenhangende visie de bevindingen
kunnen verklaren van de besproken
experimentele effecten.
i)
Het Stubblefield-effect
van elektriciteit opgewekt uit het
magnetisme van de aarde.
ii)
Het Keely-effect van
energetische processen en
antigravitatie uit het beheersen
van geluidsfrequenties.
iii)
Het Reich-effect van
orgone energie uit
kristalconfiguraties met buizen
en temperatuurverschillen tussen
organische en anorganische stof.
iv)
Het radiant Tesla/Moray-effect
van de energie van zich
elektrisch uit de natuur
opladende platen of staven die
eventueel bestaan uit
verschillende metalen of
legeringen.
v)
Het Papp-effect van zich
met een impuls ontladende
edelgassen in een drukkamer.
vi) Het
Gary/Finsrud-effect van
continue beweging door het tegen
elkaar uitspelen van de
magnetische kracht en de
zwaartekracht.
vii)
Het Gray/Johnson/DePalma/Tewari/Bedini/Bearden-effect
van een magnetisch overunity-moment
met een terugwaartse energiepiek
die volgt op onderbroken
(elektro-)magnetische velden in
motoren werkend op basis van
(elektro-) magneten.
viii)
Het elektrostatisch Baumann-effect
van overunity statische
elektriciteit opgewekt via een
Whimshurst-achtige opzet
gecombineerd met een
opslag-eenheid.
ix)
Het koude fusie plasmaproces,
dan wel het met stalen
elektroden elektrolytisch
realiseren van een Meyer/Williams/Kanarev-effect
van met overunity
gewonnen HHO-gas of Browngas uit
zuiver water zonder
elektrolyten, met inbegrip van
de eigenschappen van
ontbrandbaar, geladen water of
waterdamp.
x) Het
Schauberger/Frenette/Griggs
vortex-effect van energie
gewonnen uit wervelingen van
water, lucht of olie.
xi)
Het Huchison-effect van
antigravitatie met
elektromagnetische vibraties en
energie uit samengeperste
kristallen.
xii)
Het Searl/Sweet-effect
van energieopwekking en
antigravitatie door trillende
magneetvelden dan wel roterende,
diallel gearrangeerde en
elektrisch beheerste
magneetvelden.
Overeenkomstig
de theorie kan er ten eerste een
primair effect zijn als gevolg van
de geestesinstelling van de
onderzoeker. Het komt nogal eens
voor dat de effecten moeilijk te
repliceren zijn of instabiel zijn,
zelfs in handen van de uitvinder
zelf. Er is een constante
overtuiging en een goede
experimentele discipline voor
nodig om alles te kunnen overzien
en beheersen in het
wetenschappelijk grensgebied dat
door dit veld van onderzoek wordt
gevormd. De invloed van de factor
tijd en regelmaat moet niet worden
onderschat omdat deze moeilijk,
ook natuurkundg, kan worden
losgezien van de
elektromagnetische sfeer waar de
onderzoeker zelf met zijn lichaam
en conditioneringen deel van
uitmaakt. De effecten van Johnson,
Huchison, Sweet, Keely en ook
dePalma naar het schijnt vormen
een voorbeeld van problemen hebben
in deze categorie. Het effect van
de instelling waarmee men
onderzoek doet strookt met een
bevinding van de kwantumtheorie
waarin de invloed van de
experimentator niet kon worden
uitgesloten. In het z.g.
dubbele-spleetexperiment (zie afbeeling
rechts, video) gedragen
elektronen, fotonen en zelfs
sommige moleculen zich als golven
met een interferentiepatroon alsof
ze deel uitmaken van de ether, als
ze door twee spleten worden
gestuurd. Maar toen men ging
observeren met metingen wat er
precies gebeurde, gedroegen zich
opeens als deeltjes zonder dat
interferentiepatroon. De meting
bepaalde dus de uitslag van het
experiment, de ether bewees zich
niet als men die probeerde te meten. Dit geeft
te denken voor het werken met onze
ethermachines. Met de nieuwe
benadering is dus, zoals Tewari
dat ook bespreekt, een zekere
geesteshouding in samenhang met
een zekere tijdorde en discipline
van ruimtelijke en materiële
zelfbeheersing onmisbaar. Als er
geestelijk, intellectueel ook,
geen orde wordt gehouden of een
zekere logica of rede wordt
gevolgd, zal ook de hiërarchische
logica aan de materiële kant zijn
ondergraven en de intelligentie op
dat punt ook niet goed
functioneren. Omdat de
onderzoeker, en later ook de
gebruiker, deel uitmaakt van de
toepassing moet hij zijn
methodologie van onderzoek,
onderwijs en gebruik aanpassen.
Het is een probleem dat ook tot
het gedragswetenschapelijk
onderzoek van de psychologie
behoort. We mogen op dit punt
aangeland zeggen dat wij met onze
lichamen zelf ethermachines zijn
die interacteren met soortgelijke
mechanische constructies. Het
uitvinden van een zelflopende
ethermachine staat min of meer
gelijk aan het ontwikkelen van
zelfkennis en zelfverwerkelijking
in een emancipatieproces. Men
ontwikkelt een systematiek met de
ether die pas reëel is als men
zich ernaar gedraagt, met een
mechanische toepassing erbij of
niet. We denken hierbij aan de
manier waarop het Baumann-effect (viii)
in de wereld bestaat. Sommig
energiegebruik vereist kennelijk
een zekere geestelijke discipline
en saamhorigheid met de ether en
zo kan het heel goed zo zijn dat
we aan onze vier argumenten voor
het niet zonder meer doordringen
van deze technologie tot het grote
publiek ook dit argument moeten
toevoegen als een aanhangsel bij
met name argument 1: de discipline
met de tijd en de ether van onze
gemeenschap voldoet misschien niet
aan de voorwaarden waaronder we
deze technologie kunnen toepassen.
Het is misschien geen toeval dat
ondergetekende zelf er een
alternatief tijdbewustzijn op nahoudt en zo
in staat is (tot op zekere hoogte)
orde in deze zaak te brengen. Het
klinkt niet onlogisch dat het
doordringen van deze nieuwe
technologie in de wetenschap ook
afhankelijk is van de discipline
van de wetenschapper zelf. Zolang
die discipline niet verbetert zal
het resultaat van de arbeid en het
lot van de wereld dat ermee
samenhangt ook niet verbeteren. De
wereld is er pas beter aan toe als
we ons beter gedragen ermee.
Vanzelf. Het lijkt erop dat het is
zoals prof. Kanarev het stelt: als
we tijd, ruimte en materie niet
als een heilige drie-eenheid van
de natuurkunde behandelen, dan
vervallen we, ook
wetenschappelijk, in de
incoherentie en de chaos van
geïsoleerde verschijnselen die
paradigmatisch niet te overzien
zijn en die zo de zaak dan meer
doen lijken op een individuele
vaardigheid dan op een vorm van
techniek of wetenschap die
onafhankelijk van personen
functioneert. Zonder verenigd te
zijn in een goede tijdorde en
beheersing van de krachten van de
relatieve ether (zoals een yogi
dat kan) geeft men het
mogelijkerwijze te snel op zich op
dit gebied te ontwikkelen, is men
makkelijk het slachtoffer van een
zekere psychische problematiek die
voortkomt uit de spanning tussen
de natuurlijke
tijdconditioneringen en de
cultuurgebonden
tijdconditioneringen, en bouwen we
niets op en verliezen we zelfs de
synergie om samen te leven omdat
de energie of aandacht naar
'elders' gaat. En daardoor
vervallen we dan in ongeloof en
scepticisme en zijn we weer terug
bij argument nummer één van de vier hindernissen. Als we aan de
spirituele kant van de
tijdverschijnselen van de
relatieve ether rekening moeten
houden met verschillende niveaus
en methoden van onszelf beheersen
met de krachten van de ether, zijn
er dan er aan de materiële kant
vanzelf ook verschillende soorten
van ethermachines of andere
omvormingen van de primaire
energie die afhankelijk zijn van
en geschikt zijn voor
verschillende personen en
gemeenschappen. Een heilige kan
soms uit zichzelf leviteren - iets
waar de Paus een hekel aan heeft
overigens - terwijl een gewone
burger allicht een speciaal
vliegbewijs moet behalen om een
antizwaartekrachtvoertuig te mogen
en kunnen besturen. Laten we een
poging wagen in de richting van de
beschrijving van de mogelijke
vormen van begrijpen en beheersen
en zo de verklarende capaciteit
van onze hiërarchische
deeltjestheorie (HDT) beproeven.
We recapituleren daarin
deels het voorafgaande en zijn dan
speculatief en abstract in het
trachten te ordenen en verklaren
van de effecten van de
ethermachines en het toekennen van
eigenschappen aan de verschillende
krachten en deeltjes der materie
die een rol spelen in de
processen. Het nu volgende is dus
een voorlopige beschrijving, een
eerste inschatting of algemene
basisschets van de orde der natuur
waar we mee te maken hebben. We
willen hier niet direct de hele
kwantumfysica bespreken met al
haar fijne onderverdelingen. Dat
is aan de theoretische
natuurkunde.
Het
begrip ether is, zoals we het in
eerste instantie normaal kennen met
de radiotransmissie, van toepassing
op de verschillende krachtvelden
zoals we die om planeten en sterren
aantreffen. Dit eerste etherbegrip
is afgeleid van wat Einstein de
kromme ruimte noemde, de 'deuken' in
de tijdruimte, en hiermee spreken we
dus van de lokale ether. Volgens de
HDT is de kromme ruimte van de
lokale ether niets anders dan het
restproduct van het
materialisatieproces waarin
gravitonen polariseren. De lokale
ether (het integron) vormt de
integriteit van atomen die bestaan
uit protonen, elektronen en
neutronen. Het integron vormt als
het ware de oppervlaktespanning van
de materiële wereld. Het neutron is
het anti-integriteitsdeeltje dat als
tegenhanger van het lokale
etherdeeltje of integron de protonen
en neutronen gescheiden houdt in de
kern van het atoom. Het neutron wil
van de cyclische tijd van een lokaal
materieel deeltje een lineair
tijddeeltje maken. Het neutron zou
je ook een anti-integron kunnen
noemen. Het neutron is als het ware
een klein stukje van de holistisch
doorgedrongen lineair expanderende
tijdruimte die in India pradhâna
wordt genoemd. De polariteit van het
atoom verhindert dat het neutron en
het integron van de lokale ether
elkaar opheffen en opgaan in de
universele ruimte. De zwaartekracht
om een planeet heen is het resultaat
van de som van de kracht van het
integron - een relatieve maat die
afhankelijk is van het univerum, en
de paats daarin, waar men zich in
bevindt - en die kracht leidt tot
een verdichting van de, door de
neutronen aangetrokken, gravitonen,
de individuele etherdeeltjes die
rondom de materie dringen die min of
meer ermee onder druk staat.
Zwaartekracht is in feite
nulpuntsmagnetisme, de unipolariteit
van het vacuüm, een universele
monopool die bestaat bij de gratie
van het feit dat er meer uitbreiding
dan inkrimping is in het universum,
en elektriciteit is niets anders dan
gepolariseerde zwaartekracht. De
ethermachine zet zwaartekracht om in
elektriciteit door het lineaire
integron van de zwaartekracht
cyclisch te maken. Men maakt met
zo'n machine dus van de
gravitonendruk van het integron
bruikbare energie, men geeft a.h.w.
gewoon een draai aan die
rechtlijnige ruimte-energie. Met het
magnetisch polariseren van het
graviton zien we dan elektrische
verschijnselen en omgekeerd. Dit is
de HDT-visie op de relatie tussen
zwaartekracht, magnetisme en
elektriciteit waar we in het
hiervolgende mee zullen werken
moeten. Bij de polarisatie van het
graviton vinden we in deze optiek
ook logisch gesproken steeds een
bipolair magnetisch veld, de unipool
van de ruimte, die zich als het
integron van de zwaartekracht
manifesteerde, werd immers
gesplitst. Zo krijgen we een idee
van het krachtenspel waar we mee
bezig zijn in deze research.
De individuele kracht, de
intensiteit van het graviton
noemen we even voor het gemak op
een schaal van vijf normaal. De
indeling bestaat uit oneindig,
hyper, super, normaal en nul. De
kracht van de universele monopool
noemen we hyper en die van de
oorspronkelijke tijdruimte
oneindig. De kracht van het proton
en het elektron noemen we super,
de hyperkracht van de universele
ruimte en de normale kracht van
het etherdeeltje middelen bij
polarisatie van het graviton tot
twee tegengesteld draaiende
superkrachten die door het
neutron, dat als deeltje geen
effectieve kracht heeft worden
gescheiden gehouden. De enige
kracht van het neutron bestaat uit
zijn vermogen anti-integer of
dissipatief te zijn als de lokale
representant van de tijdruimte,
het heeft in relatie tot de twee
andere materiële deeltjes geen
lading of intensiteit. Het is een
antiholon deeltje dat alleen
bestaat in relatie tot het
integron dat een tegengestelde
tijdrichting of massa heeft en net
als zijn tegenhanger geen
(cyclische) kracht levert of
intensiteit heeft en ook geen spin
of lading heeft. Het cyclische
noemen we een kracht omdat het
cyclische altijd is gekoppeld aan
manifestatie, terwijl dat bij de
evolutionair oudere tijdruimte en
de etherische tegenhanger daarvan
van de universele ether niet
zonder meer zo is. Er kan dus
massa zijn - tijdrichting - zonder
manifestatie: donkere energie. Het lineaire
vormt geen direct bruikbare
kracht, de naar binnen en naar
buiten gerichte lineaire ruimte
zijn min of meer de vader en de
moeder van alle krachten. Kracht
en dus ook intensiteit
manifesteert zich als een vorm van
weerstand tegen die ouders, als
een bepaalde relatie van het
gemanifesteerde in verhouding tot
die fundamentele lineaire
dualiteit. Het gemanifesteerde dat
zelf altijd cyclisch van aard is,
speelt er als het ware een spel
mee op het raakvlak der
existentie, het membraan van het
hier en nu dat we de werkelijkheid
noemen. Een ruimtedeeltje dat
lading krijgt zoals met een
magneet veld het geval is is dus
geen integron maar een graviton
dat van zichzelf een chaotische
lading en spin heeft en een
normale intensiteit. Graviton en
integron verhouden zich verticaal.
Je moet niet horizontaal maar
verticaal denken om dit te
begrijpen. Ze kunnen tot elkaar
leiden zoals in de chemie
elementen samengaan of te scheiden
zijn, alleen is men dan met een
hiërarchisch evolutionair
materialisatie/dematerialisatieproces
bezig. Als je neutronen in een
cycloton rondjaagt of met een
wapen inzet, krijg je daar dan
altijd andere 'chaos-deeltjes'
voor terug die een mathematische
relatie vertonen van de krachten
die men heeft ingezet. Men heeft
niet echt ooit een apart neutron,
maar meer het effect van de
vernietiging ermee of ervan.
Evenzo kan men het graviton niet
als een zelfstandig deeltje
aantonen in een deeltjesversneller
omdat het met het verlenen van
massa en richting via de snelheid
gewoon geen graviton meer kan
zijn. De machine vernietigt de
definitie van zo'n massaloos,
chaotisch ruimtedeeltje. We zullen
hier verder de beschrijving van de
fijne
deeltjesfysica van bosonen en
fermionen buiten beschouwing
laten. Het gaat allereerst om een
algemene schets van de logica van
de primaire verhoudingen van de
natuurkrachten in de vorm van
deeltjes, niet om experimenteel
gevonden, min of meer zelf
geschapen, uitzonderingen op of
verfijningen van die logica.
De
druk die de gravitonen uitoefenen
in de vorm van het integron is er
de reden van dat de ether relatief
is en niet homogeen. Het verschil
tussen het integron en het
graviton bestaat eruit dat het
integron een lineare functie heeft
terwijl het graviton cyclisch is.
Het lineaire integron is de lokale
vertegenwoordiger van de cyclische
universele ether waarvan het
graviton het individuele deeltje
is dat ronddraait (spin heeft) en
een dubbele polariteit vormt in de
vorm van het afwisselend positief
en negatief 'schuimen', 'bubbelen'
of 'koken' van de ruimte als
zijnde een ongerichte of
'onzekere' (tijd)energie. Het
integron, net als het neutron, is
massa zonder manifestatie, zij het
dat het neutron een massa heeft
die we met één plus een nihiele
fractie zwaar noemen, terwijl het
integron slechts een nihiel zware
fractie vormt die bestaat dankzij
de manifestatie. Het nihiele is
het verschil dat voortkwam uit de
gebroken symmetrie van de
singulariteit waar alles uit
voortkwam sedert het 'ontwaken van
de schepping' (waarom een knal?);
het nihile vormt het verschil
tussen alles (1) en niets (0). Het
nihiele is de overunity
van het universum waar we op uit
zijn met de ethermachines. Het is
nulpuntsenergie die niet direct
toegankelijk of bruikbaar is
zonder dat er een 'draai' aan
gegeven wordt. Maar zeggen dat die
energie er niet zou zijn is
hetzelfde als zeggen dat de
zwaartekracht niet bestaat. De
zwaartekracht is de normale
manifestatie van de
nulpuntsenergie op lokaal niveau.
Daarom hoort het zwaartekrachtwiel
en de machines van Gary en Finsrud
(vi) die de zwaartekracht
verbijsteren met de magnetische
kracht, ook bij de ethermachines.
Het woord zwaartekracht is in
feite een foute benaming.
Het vormt een paradox taalkundig:
de zwaartekracht is een kracht die
niet zomaar een effectieve,
inzetbare krachtbron vormt en is
zo ook weer niet een kracht. Het
is een kracht die niet werkelijk
een kracht is, maar slechts de
ruimtedruk of 'zwaarte'kracht
vormt. De kracht van de zwaarte
van iets is de manifestatie van de
onevenwichtigheid van het
universum. Een stuwdam maakt
elektriciteit van de waterkracht,
niet van de zwaartekracht. De
waterkracht komt in feite van de
kracht van de zon die het water
verdampte dat neergeslagen door
afkoeling via een hoger gelegen
gebied naar lager stromend weer
vrij komt als we die stroom
tegenhouden met een dam. In feite
meet men als men massa meet niet
de kracht van de zwaarte van een
voorwerp, maar de naar binnen
gerichte, negentropische
tijdrichting van een materieel
voorwerp die afhankelijk is van de
afstand tot de planeet of datgene
wat zwaartekracht genereert. Even
wat verder in de ruimte en weg is
die kracht. Dat wat er dan weer
wel is en dan weer niet is, noemen
we een illusie, een krachtsillusie
in dit geval. Wat werkelijk is is
het integron, de
oppervlaktespanning van de
manifestatie. Het integron vormt
een lineair op één punt diallel
samentrekkende tijdenergie, en
niet zozeer een kracht die in alle
gevallen een meetbare zwaarte
oplevert. In de ruimte is er geen
merkbare oppervlaktespanning die
meer is dan de samenhang van de
materie en dan is er dus ook geen
zwaarte. In de ruimte heerst een
evenwicht van ruimtedeeltjes, van
gravitonen, die dan ongericht
zijn, geen beduidend oppervlak van
aantrekking kunnen vinden om in
die mate het integron van de overunity
te kunnen manifesteren dat er
zoiets als zwaarte of richting zou
zijn. De ethermachine brengt orde
in de chaos van het vrije
ruimtedeeltje dat het graviton is.
Finsrud brengt bewust een
mechanische orde aan in de
zwaartekracht door de
magneetkracht allereerst chaotisch
op te zetten met zijn centrale
slinger en vervolgens de
ruimtedruk met uitbalancerende
slingers lineair daar orde in te
laten brengen. Gary schept
verwarring door de zwaartekracht
terug te leiden naar zijn
beginpunt van werking via een
neutrale zone in de magneetkracht
en de onrust van ompolend
diamagnetisch materiaal (vi).
Het integron dat bij het proces
van energiewinning uit de ruimte
betrokken is, is een holon
deeltje, een lokale werking van
het geheel van de ruimte-energie.
Het heeft dus ook geen beduidend
gewicht, een spin of een lading,
het staat slechts voor een
tijdrichting immers: de naar
binnen gerichte lineaire tijd die
staat tegenover de naar buiten
gerichte lineaire tijdrichting van
het gelijksoortig neutrondeeltje.
Zo bezien kan je concluderen dat
de ethermachines op volle toeren
draaiend zwaartekracht genereren,
een eigen zwaartekrachtveld wel te
verstaan, dat wordt veroorzaakt
door de omringende gravitonen aan
te zuigen en om te zetten in
energie. Een
zwaartekrachtgenerator kan meer
zwaartekracht genereren dan een
planeet en zo dan
'anti-zwaartekracht' vormen, een
tijdruimteverschil dus dat een
enorm kinetisch effect kan hebben
bij het richten van de
zuigrichting via een magnetische
poort. Gravitonen reageren immers
op magnetisme. Dit strookt met
waarnemingen van dit soort
effecten bij vliegende schotels:
elektrische velden raken verstoord
en G-krachten gelden niet meer.
Met het aanzuigen van gravitonen
door de ethermachine krijgen ze
een lineaire richting die een
eigen zwaartekrachtveld vormt, een
veld dat men kan richten in
relatie tot andere
zwaartekrachtvelden en zo wordt
sturing van zo'n voertuig dan
mogelijk. De ethermachine is dus
een zwaartekrachtgenerator die
iets doet met de relatie tussen de
lineaire en de cyclische tijd, de
relatie tussen de 'ouders' en de
'kinderen' van de fundamentele
natuurkrachten. Daarom spreekt men
ook wel van trek-duw
rotatietechnologie.
Een magnetisch
veld is het resultaat van een
gelijkrichten van
deeltjes(groepen) in een
magnetiseerbaar (of diamagnetisch)
voorwerp zoals de ijzerdeeltjes in
de aardkern b.v. Magnetische
lijnen vormen stromen van tegen de
polarisatie in ronddraaiende
gravitonen. Sommigen spreken van
elektronen en ionen, maar in
essentie is de ruimte het bereik
van de gravitonen, de materieel
nog onbepaalde ruimte. Op basis van de
magneetvelden rondom lichamen,
magneten, planeten etc., werkt de
ruimte aldus kinetisch en niet
statisch. Al het materiële is in
beweging bij de genade van de
cyclische definitie van de
materie. Als de ether geen werk
zou verrichten zou het ontwikkelen
van de ethermachine geen zin
hebben. De ethermachines die al
bestaan vormen dan ook simpelweg
het experimenteel bewijs dat de
ether bestaat. Het bewijs op basis
van de wetenschappelijke
observaties van de uitdijende
ruimte (via het Doppler-effect in
de astronomie), de zwaartekrachtlens rondom zwarte
gaten en sterrenstelsels, en de
ronddraaiende planeten en manen,
vormt het natuurkundig
niet-experimenteel of
observationeel bewijs van het
dynamisch krachtveld van de ruimte
dat we hier de relatieve ether
noemen. In zijn simpelste vorm is
dat bewijs al geleverd met een
magneet die zonder verdere
kleefstof of steun aan een ijzeren
wand als van een koelkast hangt.
Het aan elkaar kleven van de
materie op basis van magnetische
velden is in feite gebaseerd op de
singulariteitswet van de HDT
die stelt dat alle materie van
nature naar zijn singulariteit
streeft. Een magneet zal daarom
steeds proberen zijn eigen
polariteit op te heffen, een ring
te vormen of met tegengestelde
polen aan elkaar te kleven. Dit
staat klassiek dus ook wel bekend
als de natuurlijke neiging tot
orde, de negentropie, de
tegenhanger van de natuurlijke
neiging tot chaos die de entropie
wordt genoemd. Iedere kracht heeft
een tegenkracht die hem probeert
op te heffen. Zo staat dan de
entropische uitbreiding tegenover
de negentropische aantrekking.
Zo ook heeft
elektrische stroom die volgens een
bepaalde meetmethode in een
bepaalde richting loopt, zowel als
een magnetische dipool die, zoals
je kan aantonen met ijzervijlsel,
een bepaald krachtveld geeft, een
natuurlijke reactiekracht te
verduren vanuit de ruimte, de
ruimte-energie die we in de vorm
van deeltjes omschrijven als een
veld van gravitonen, een veld dat
we ervaren als de zwaartekracht.
Gravitonen vormen de ruimtedruk
die samen op een hemellichaam
inwerkend als een holon genaamd het
integron, lokaal de materie
lineair opeendrukken. Het graviton
zelf is zoals gezegd chaotisch en
cyclisch, maar massaal
aangetrokken door een materieel
voorwerp of een magneet vormen de
gravitonen lijnen of stromen die
van plus naar min lopen, die dan
het normale evenwicht van het
integron enigszins verloren doen
gaan en a.h.w. de zwaartekracht
ervan hier doen toenemen en daar
doen afnemen. Minder zwaartekracht
is magnetische afstoting, meer is
magnetische aantrekking. Die
combinatie maakt dat het voorwerp
niet zwaarder of lichter wordt
door magnetisering, maar als je
met een ethermachine een
kunstmatige monopool vormt door
gravitonen in energie om te zetten
is dat volgens de HDT wel het
geval. Verzamelt men nu
elektrische lading op basis van
magneetrotatie dan gebeurt er iets
met de zwaartekracht. Een
elektrische lading zal bij een
afdoende frequentie van de
betreffende dipool het integron
van de zwaartekracht uit evenwicht
of in werveling brengen en zo
veranderen in een gravitonenstroom
die wordt weggestuurd naar de
elektrisch tegengestelde positie
van de aarde of in een lichteffect
(bij Searl en Sweet - xii
-is dat aanwezig). De onderdruk
van het integron dat ontstaat zal
dan zoals gezegd leiden tot een
verminderde zwaartekracht en zelfs
bij een integronenvacuüm leiden
tot tijdruimtevervormingen. Het
voorwerp verdwijnt dan naar een
andere plaats via de tijdruimte of
hyperruimte. Het is b.v. bekend
uit experimenten dat een
condensator ietwat lichter wordt
als hij geladen wordt: dat komt
door het z.g. Biefeld-brown-effect. Een lading
ioniseert de ruimte om de lading
heen en verwerft aldus een kracht
van tegengestelde, in de richting
van de polariteit werkende,
gravitonen. Deze kracht is groter
dan de ionenwind, een min of meer
door de lucht geleide
elektriciteit, kan verklaren die
normaal bij de uitleg van het
effect wordt aangevoerd zo stelt Andrew Johnson in
zijn analyse (zie ook de
Eletrokhydrodynamische EDH-aandrijving). Gravitonen zijn
cyclische tijddeeltjes. Zo ook
komt er als het magneetveld wordt
onderbroken door de magneet te
verplaatsen of de stroom te
onderbreken die magnetiseerde, een
reactie tot stand van de kant van
de gravitonen die dan polariseren
met een elektrische impuls in de
tegengestelde richting. De
passieve gravitonen lijden aan een
soort wet van de traagheid omdat
hun intensiteit minder is dan die
van de geladen exemplaren die
steeds meer op elektronen gaan
lijken. De gravitonen hebben op
basis van de singulariteitswet de
onverbiddelijke neiging steeds het
evenwicht te herstellen zodat ze
een positief veld met een negatief
veld weerstreven. Als een positief
veld wegvalt, hou je automatisch
het negatieve veld over en
omgekeerd: de vingerafdruk die als
hij oplost energie afgeeft. Deze
energie is extra energie omdat ze
vloeit op basis van de natuurlijke
gravitonendruk die uniform in de
vorm van het integron van alle
kanten in de ruimte werkt. Deze
extra energie is niet zonder meer
te meten met apparatuur die een
normale elektrische stroom meet.
Maar wat je niet meet bestaat nog
wel. Andersom door een gloeidraad
geeft het nog steeds licht. De
negatieve stroom is de
overunity van een iets te
ijverig universum dat, naar
verhouding, een minieme
hoeveelheid energie toevoegt ter
compensatie van het weggevallen
veld. De ethermachine accumuleert
daarom steeds deze energie in een
condensator, een accu of een
vliegwiel of een andere vorm van
oscillatie of rotatie die de
mechanische slang in zijn eigen
staart doet bijten en zo een
versterking van de impuls geeft.
Het universum is in dezen niet een
trampoline of een veer die
teruggeeft wat je erin stopt,
immers met de constante
uitbreiding van de tijdruimte en
de daaraan gekoppelde universele
ruimte is er nogmaals gezegd
steeds een extra druk. Een
ethermachine is a.h.w. gewoon een
ventieltje voor de extra energie
in het universum. Zo goed als een
ballon wegvliegt die je leeg laat
lopen, gaat een ethermachine lopen
als je een magnetische poort hebt
geschapen waardoor de constante
gravitonendruk een uitlaat kan
vinden.
Dit is de
verklaring voor de energiewinning
van de bewegingloze generator van
Bearden die werkt op basis van het
snel binnensluizen van de
ruimte-energie door een schakelaar
naar een ander circuit over te
halen met het onderbreken van een
elektromagnetisch geschapen veld.
De overige elektromagnetische
machines van Gray, Zsabo, Bedini,
Tewari en DePalma, en de SEG van
Searl zijn zo ook te verklaren (vii
& xii), ze zuigen
allemaal de ruimte-energie van de
gravitonendruk naar binnen door
een magnetische poort te scheppen
en/of een cyclische beweging van
de magneten te scheppen waarmee
een integron-onderdruk ontstaat
die extra gravitonen aanzuigt. In
eerste instantie geeft dat nog
geen anti-zwaartekracht omdat de
aanspraak van energie te gering is.
Maar in principe kan zo'n machine
zonder negatieve zekeringen
ijskoud en lichter worden of zelfs
gaan zweven bij overbelasting. Dat
laatste zou je een soort van
etherische melt-down, of beter
gezegd een etherische freeze-up
kunnen noemen. Ook kan er zonder
schakelaars en schakelingen vanuit
de draaiende kern van de aarde een
wisseling in het magneetveld
worden afgevangen die dan stroom
oplevert als men een spoel in de
aarde plaatst. De wisseling in het
magneetveld is een natuurlijk
gegeven. Hiermee wordt het
Stubblefield effect verklaard
(i). Van de wisseling van
het magneetveld van de aarde maakt
ook de ringgenerator gebruik van
Steven Mark. Die laat die beweging
van het magneetveld met een poort
ronddraaien in zijn dubbele spoel
en daarom reageert die ook anders
of helemaal niet als het ding op
de kop wordt gehouden. Maar ook
het Johnson-aspect van dit effect
met permanente magneten zonder een
elektrisch circuit is zo
verklaard: de elkaar afstotende
magneten leveren,
cyclisch-sequentieel bewegend, hun
eigen moment alsof een slang in
zijn eigen staart bijt. De overunity
ontstaat bij hem uit het
mechanisch wisselende magneetveld
dat steeds de poort opzoekt en zo
cyclisch een mechanische voortgang
geeft, zoals een ezel vooruit
wordt gelokt met een wortel
terwijl de drijver op de bok zit.
Ook de rotatie van de Perendev
machine moet berusten op dit
effect, ook al was dit niet te
verifiëren of dupliceren.
Johnson's oorspronkelijke
patentaanvrage laat wel zoiets
zien. De diallelle organisatie van
de gravitonenstroom zodat er een
soort van brandpunt of krachtpunt
ontstaat dat werk verricht met een
stator - bij hem in de vorm van
gekromde magneten -, is daarbij
een voorwaarde, precies zoals dat
bij de Torbay-opzet ook werkt met
een gekromd gravitonenveld dat aan
de ene kant meer werk levert dan
aan de andere kant. Lastig te
doen, zo blijkt uit de vele
replicatiemislukkingen, maar in
theorie mogelijk mits er een
tweede kracht, de zwaartekracht of
de inertiële kracht -
zwaartekracht in een andere
richting - bij betrokken is. Voor
kinetische energie hebben we twee
krachten nodig of twee
verschillende werkingen van de
tijd zoals expansie en contractie.
Dit principe van energie uit de
interactie van fundamenteel
verschillende krachten zien we bij
Finsrud duidelijk terug, maar hoe
dit precies werkt bij Johnson en
de klonen ervan is niet helemaal
duidelijk. Men vermoed met de
problemen van replicatie op dit
punt in deze hoek - en Searl hoort
daar ook bij - dan ook een
make-believe cultuur. Er heerst
onder de vrije onderzoekers veel
scepticisme over de haalbaarheid
van de magneetmotor. Dit direct
met permanente magneten tot een
mechanische puls verleiden vereist
een nauwkeurig afregelen van de
sterkte, afstand, eventuele
afscherming en grootte van de
magneten onderling. Alleen met een
perfect evenwicht is de
onevenwichtigheid van het
universum te vangen. Ook het OC MPMM-project
van het Steornforum geeft dit
replicatieprobleem te zien. Het valt niet mee
het juiste krachtenevenwicht te
vinden om de etheronrust te pakken
te krijgen. Uit zichzelf zoekt de
machine een evenwicht, een
magnetisch slot met het integron,
maar als dit wordt voorkomen door
de afstotende velden mechanisch zo
op elkaar te drukken dat ze via
een poort (een 'gate') een uitweg
hebben of via rotatie een integron
onderdruk kunnen scheppen,
ontstaat er een beweging als van
een raket die in een cirkel
opgevangen zichzelf versterkt tot
de gravitonendruk maximaal is
verwerkt. Met een kleine unit van
de OC MPMM werd al een toerental
van 5000 gehaald dat naar verluid
wel zeven uur standhield. De
overdruk wordt dan zonder in een
elektronisch circuit te
polariseren direct in een
mechanisch effect omgezet. De
snelle magnetische rotatie weet
met een bepaalde frequentie en
krachtenevenwicht een
integron-onderdruk te scheppen en
gravitonen aan te zuigen en ze om
te zetten in mechanische energie.
Maar helaas kon degene die
verantwoordelijk was voor dit wapenfeit
worden herkend als iemand die wel
vaker de draak steekt met de
verwachtingen...
Zo werkt ook de
Papp-motor van Saboris (v)
zonder de polarisatie van een
terugwaarse stroom in een
elektronisch circuit of het
afvangen van magnetische overunity
in een mechanische lus puur op
basis van de gravitonendruk: de
edelgassen verleiden de gravitonen
via de elektrische ontlading in
een elektromagnetisch veld tot een
mechanisch moment. De
gravitonendichtheid explodeert
a.h.w., waarschijnlijk omdat de
energie van de edelgasatomen
zodanig toeneemt dat het neutron
zich geroepen voelt hulptroepen
aan te slepen vanuit de
tijdruimte. Dat geeft een reactie
van de gravitonendruk die dan naar
verhouding te laag is en het
elektromagnetisch veld komt
versterken. De extra toevoer van
die energie vloeit dan bij hem op
conventionele wijze weg via een
normaal motorisch zuigersysteem in
mechanische energie en hitte: het
edelgas laadt en ontlaadt zich en
wordt nauwelijks verbruikt. Het
fungeert hoofdzakelijk als een
katalysator voor de
ruimte-energie. Een ander effect
dat mogelijk een rol hierbij
speelt is het z.g. Electrum Validum ofwel High Density
Charge Clusters (HDCC) bestaande uit
groepjes samengetrokken elektronen
die experimenteel kunnen worden
opgewekt door met een zeer korte
puls vanaf een spits in een
magnetisch veld via een z.g koud
plasma, een speciaal gas, met
behulp van het Casimir-effect een
hoog voltage aan gelijkstroom tot
ontlading te brengen. Als die
clusters, aanvankelijk EV's
genaamd of elektromagnetische
vortexen later tot EVO's ofwel
exotische vacuuüm objecten omgedoopt,
samenpakkend in ringetjes van 20
of 50 micron, een voorwerp raken,
geven ze energie af die tot wel 91
keer de input overschrijdt. Het
thermisch proces, dat verder geen
neutronenstraling geeft, trekt dus
energie uit de ruimte aan. De
ringetjes van elektronen, waarvan
het bestaan indruist tegen de
bestaande natuurkundige theorieën
die zich een groeperen van normaal
elkaar afstotende elektronen niet
kunnen voorstellen, vormen in
feite een soort van materieel
waarneembare ventieltjes voor de
ruimtedruk die dan tot een thermische
omzetting van de gravitonen
leiden. Het effect dat in feite
een pakketje elektrische lading in
een zichtbare vorm voorstelt, werd
in 1980 ontdekt door de
experimenteel natuurkundige
Kenneth R. Shoulders uit Bodega in
Californië, die, handig een
dreigende geheimhouding door de
overheid omzeilend, er een patent
voor kreeg in 1991 (U.S. Patent
No. 5,018,180.0). Geheimhouding
was er bijna vanwege het feit dat
met deze technologie in principe
stralingswapens kunnen worden
gemaakt die niet hoeven te worden
herladen en die alle materie
desintegreren die wordt geraakt.
Ook in 1992 (U.S. 5.153,901) kreeg hij een
soortgelijk patent, en in 1999 (U.S. 6271614) kreeg hij een
patent op een z.g.
elektromagnetische plasma-drive
generator die door hem werd
ontwikkeld. Ook de uitvinder Christopher
Arnold spreekt in een
uitvinding waar ook Bedini en
Sprain weer naar verwijzen, van
elektronenclusters, van het
Electrum Validum, in de uitleg van
zijn op neodymium magneten
draaiende, superefficiënte
Plasma-fusie motor generator uit
2001 (hiervoor niet besproken,
U.S. 6271614). Vermoedelijk
speelden dezelfde
elektronenclusters niet alleen ook
een rol bij de Magnatron
koude-fusievoorloper Rory Johnson,
maar ook bij vele andere vindingen
die we bespraken. Met de EVO
technologie zo stelt
Shoulders in 2007 kan in principe
ruimtevoortdrijving en een
afweerschild gemaakt worden, maar
dat laatste kost aanzienlijk meer
moeite dan het produceren van het
wapen. Echt Starwars dus. Moge de
kracht met u zijn, want zelfs een
allesvernietigend Starwars'
evo-zwaard kan zo worden
gefabriceerd. Shoulders
ontwikkelde het proces verder met
zijn zoon Steve. De ontdekking die
volgens de onderzoeker Hal Fox als
de grootste van de 20e eeuw moet
worden beschouwd, vormt een
mijlpaal in de formele erkenning
van de mogelijkheid om
ruimte-energie om te zetten in
bruikbare elektrische energie.
Samen met Fleishman en Pons van de
koude fusie zou hij de Nobelprijs
moeten krijgen zo stelt Fox. Ken
Shoulders maakte ook op de MIT
conferentie voor Koude Fusie
technologie in 2005 melding van
een verband tussen EVO's en het
Hutchison effect. Verder hebben ook
de Russen Alexander Ilyanok uit
Belarus, en Mesyats en Baraboshkin
uit Ekaterinburg nader onderzoek
gedaan om deze
'ladingcluster'-technologie verder
te ontwikkelen en ontdekte Stan
Gleeson, uit Cincinnati, Ohio
samen met Dr. Shang Xian Jin dat
het proces ook in water werkt en
effectief radioactiviteit kan
reduceren. Met die alternatieve
mogelijkheden voor het ontwikkelen
van toepassingen komen de HDCC ook
in zicht bij het verklaren van de
waterprocessen in de vrije
energiesfeer (literatuur, artikelen, pagina's 1, 2, 3, 4).
|
HDT-elementen
|
massa
|
lading
|
spin
|
intensiteit
|
tijd
|
|
tijdruimte
|
oneindig
|
oneindig
|
geen
|
oneindig
|
+
lineair
|
|
universele
ether
|
0
|
0
|
half
|
hyper
|
cyclisch
|
|
graviton
|
0
|
±
|
dubbel
|
normaal
|
cyclisch
|
|
integron
|
nihil
|
0
|
geen
|
geen
|
-
lineair
|
|
neutron
|
1
+ nihil
|
0
|
half
|
geen
|
+
lineair
|
|
proton
|
1-
nihil
|
+
|
half
|
super
|
cyclisch
|
|
elektron
|
nihil
|
-
|
half
|
super
|
cyclisch
|
De
hoofdrolspelers in de HDT en hun
veronderstelde eigenschappen:
het graviton is de gastspeler en de
lokale ether is quantummechanisch
herkend als het integron.
Met de elektrolyse van
Kanarev, Stanley Meyer en Bill
Williams (ix) wordt water
elektrisch geladen dat dan met de
polariteit van de elektrolyse, met
name via een 'catastrofaal
diëlektrisch mislukken' van de
opgebouwde lading, extra energie
oplevert door van het integron van de
individuele watermolecuul de
energetische basis te veranderen. Dat
integron krijgt door de 'energetische
rek' die specifiek in een
watermolecuul zit een extra toevoer
van gravitonen te verwerken, de
energie neemt toe van het
watermolecuul, maar daar is het
heersende neutron dat het integron
tegenwicht biedt niet van gediend, dat
neutron moet de zaak compenseren met
een greep uit de tijdruimte om extra
steun, en die extra energie zorgt
ervoor dat het watermolecuul uit
elkaar valt - er is immers extra
integron- en neutronenergie voor - en
dat er ook een restpotentiaal in het
water ontstaat dat als een soort van
kettingreactie nog een hele tijd
freewheelt voordat de orde van
het juiste neutron/integron evenwicht
dat voor het trillingsgetal van het
water geldt hersteld is. 'De volts
aan spanning worden omgezet in
ampères aan stroom en daardoor vindt
er een vernietiging plaats van het
water dat dan opsplitst in waterstof
en zuurstof', zoals dr.
Peter Lindeman Meyer's werk
analyseert. Water dat geladen is
kan tot ontbranding overgaan omdat met
een restproductie aan waterstof en
zuurstof het verbrandingsproces de
lading er als het ware uit kan zuigen.
Als ergens in dat water de lading
ontsnapt probeert de rest van de
lading daarvoor in de bres te pringen
om de lading gelijk te verdelen, en
dit gaat dan door tot de lading te
laag is om nog brandbaar Brownsgas
vrij te kunnen maken. Uitgebrand is
het water dan weer normaal. Geladen is
het min of meer gravitonenwater, water
met een te hoog energieniveau voor het
normale trillingsgetal van water, dat
je ook onzeker water zou kunnen
noemen, water dat op springen staat.
Ook al werd de lading met
elektriciteit opgebouwd is het dus
geen elektrische ontlading maar een
gravitationele ontlading die vertraagd
verloopt via het 'opgeschrikte' water
dat zich langzaamaan weer 'ontspant'.
Dit effect van
water met een verkeerd trillingsgetal
dat energie oplevert in dissociatie,
doet denken aan het Keely-effect van
het via geluidstrillingen beïnvloeden
van het trillingsgetal van
verschillende soorten van materie (ii)
en het Huchison-effect (x) dat
langs een andere weg hetzelfde doet.
Dat koeien en planten het beter doen
op klassieke muziek dan op popmuziek
was al bekend. De interferentie van
verschillende trillingen geeft een
erbij behorend opladen van de materie
die dan 'zichzelf' niet meer is, en
waardoor de integronwaarde en
tijdruimteverhouding van de materie
wordt aantast, zodat er een uitweg
wordt gezocht of een plaats die beter
past bij het nieuwe trillingsgetal.
Iedere planeet heeft een eigen
trillingsgetal samenhangend met de
omtrek van de planeet. Het heet
wetenschappelijk sedert 1952 de Schumann-frequentie, het is een ultralage
frequentie (ULF) die voor de aarde
varieert van tussen de 7.8 Hz
standaard en de 33.8 Hz, met 59,9 Hz
als een boventoon. Hij bestaat uit het
resonantiegetal van b.v.
bliksemflitsen in de holte gevormd
tussen het oppervlak van de aarde en
de ionosfeer. Het betekent dat het
licht van een bliksemflits 7.83 keer
om de aarde gaat in één seconde en dus
de aarde dat getal geeft als
haar basisfrequentie van resoneren.
Een hoger trillingsgetal hoort dus bij
een kleinere planeet als de snelheid
van het licht elders gelijk zou zijn
aan die van dit zonne- of
sterrenstelsel. Maar we zagen al dat
de lichtsnelheid een relatieve
constante moet zijn die samenhangt met
de afstand tot het centrum van het
sterrenstelsel in kwestie. Zo kan je
dus ongeveer eenzelfde trillingsgetal
hebben met een heel andere planeet dan
de onze, of eenzelfde planeet in een
ander sterrenstelsel met andere
lichtsnelheidsverhoudingen. Oppassen
dus met alternatieve
elektromagnetische frequenties en
tijdmaten die ermee samenhangen.
De wereldcultuur is daarmee ook
gewaarschuwd voor het vasthouden van
een tijdregelmaat die vreemd is aan
die van de aarde. Men heeft er een
psychologie mee van een 'verschoven'
tijdbewustzijn. Volgens de formule Pt=Tw-TK is de psychische
instabiliteit van de tijdervaring er
als de resultante van de spanning
gevonden in het verschil tussen de
klokkentijd en de tijd van de natuur (Meijer 1992). Klokken en kalenders
moeten wetenschappelijk gesproken gelijklopen met de
frequentie van een passerende zon en
maan
om collelctief zonder illusie
gelijkgericht te zijn op de materiële
werkelijkheid en wetmatigheid van die
planeet. Onze greep op de
werkelijkheid en onze geestelijke
gezondheid wordt erdoor bepaald. Een
ander trillingsgetal geeft zo een
andere planeet of een parallele wereld
in een ander sterrenstelsel met een
naburige frequentie. Zo zou er dan een
hele bandbreedte aan parallelle
werelden bestaan waarheen men dan in
fasen (psychisch, emotioneel,
materieel) getransporteerd kan worden
bij het manipuleren van
elektromagnetische velden of met
alleen al het aanhouden van de standaardtijdfrequenties van burgerlijke
tijdconditioneringen. Het zou heel
goed de buitenaardsen uit kunnen
lokken om 'graancirkel' te gaan
prediken hier in onze
graanvelden. Het proces van het
energie krijgen tot men teleporteert
lijkt als volgt te gaan; eerst
ontstaat er een energetisch effect
door het afwijken van de
standaardgravitatie van je plaats in
het universum, dan ontstaat er
antigravitie door het wegvallen van de
integron druk en vervolgens ontstaat
er teleportatie via de hyperruimte
naar de naburige frequentie van een
andere planeet van een soortgelijk
formaat als de hele integriteit van
trilling 'overspringt' of 'wegschuift'
naar een ander trillingsgetal van de
kromme ruimte. In feite is dit
verschuiven een fenomeen dat
geobserveerd is in o.a. het z.g. thether-incident van
de NASA waarmee in het
infrarood een druk UFO-verkeer werd
waargenomen in de hogere luchtlagen.
Searl en Sweet (xii) maakten
beiden melding van eerst
energieproductie en toen
antigravitatie van hun generatoren die
respectievelijk uit diallel
gearrangeerde roterende magneten
bestaan (Searl) dan wel uit snel
vibrerende magneten (Sweet). Ook
Huchison ziet op basis van
interfererende elektromagnetische
frequenties in een testgebied net als
Sweet (xii) antigravitatie
ontstaan als de integron lading van
zijn objecten door het aanzuigen van
de gravitonen onafhankelijkheid
bereikt in het 'laden' van de materie
met een andere, materiaalvreemde
frequentie. Men zij ook in dit verband
herinnerd aan de catastrofale gevolgen
van het z.g. Philadelphia
experiment (Project Rainbow) van de amerikaanse
marine in 1943, ondernomen als een
alternatief voor het Manhatten project om de oorlog te
winnen. Men probeerde naar verluid met
de geheime medewerking van Tesla en
Einstein, een oorlogschip genaamd de
U.S.S. Eldrigde (fot0) onzichtbaar te
maken door sterke elektromagnetische
velden om het schip heen te vormen.
Het werd een puinzooi omdat de
magnetische velden niet roteerden en
er zo niet een mogelijkheid was om een
afgrenzing van het veld met de
verhoogde elektromanetische energie te
vormen. Men bereikte dislocatie
(teleportatie), verdwijning en
herverschijning, zowel als het
samensmelten van heterogene materialen
zoals Huchison dat ook constateerde:
bemanningsleden versmolten met het
metaal van het schip, anderen werden
gek of losten spontaan op in lucht of
vlogen in brand in de periode erna.
Men kon het verschijnsel niet
beheersen, en stopte het project in de
doofpot vanwege de rampzalige
gevolgen. Dat was toen, maar tot op
heden schijnt men er in het geheim nog
mee bezig te zijn in een geheim
project genaamd het Montauk
Project, dat goed geheim gehouden
een bron van vele
samenzweringstheoriëen vormt over
UFO-technologie en
gedachtencontrole-apparatuur als
militair wapen. Het moge duidelijk
zijn dat het experimenteren met
magnetische velden mogelijk een bron
van energie oplevert, maar dat het ook
een gevaar kan vormen als het de
elektromagnetische basis van ons eigen
fysieke, en door het integron
beschermde bestaan aantast. Door het
oproepen van een kunstmatig
zwaartekrachtveld vervormt men de
tijdruimte zoals ook ieder
hemellichaam dat doet, zo legde
Einstein uit aangaande de kromme
ruimte van het integron. Die
vervorming geldt niet voor de lineaire
tijd echter die wordt gehandhaafd in
het zelfgeschapen veld waarmee ook de
elementaire structuur van de materie
daarin die bestaat uit protonen,
elektronen en neutronen gehandhaafd
blijft. Zomaar vibreren van
magneetvelden kan extra energie
opleveren, maar ook een ernstige
integriteitscrisis van het fuseren van
'heterogene materialen opleveren als
het evenwicht van de lineaire orde, de
integriteit van de materie, met de
lineaire vibratie niet wordt
gehandhaafd. De paradox van de
hyperruimtesprong bestaat eruit dat
men door de cyclische actie van
magnetische velden de lineaire
onafhankelijkheid van het integron
creëert.
Ook mechanische
actie van water(damp) trekt gravitonen
aan zoals aangetoond in de
waterdruppelaar van Kelvin, de
Testatika van Baumann (viii)
en de hydrosonische pomp van Griggs en
zijn voorgangers. (x) De
atomaire structuur van (zwaar) water
leent zich zoals we bij de koude fusie
en de processen van Kanarev al zagen
heel goed voor het opladen van de
toegevoegde energie die bij de
verschillende vormen van ontlading de
gravitonenstroom die zo door de
beweging van het water werd
aangetrokken polariseert. In
verhouding tot een elektrostatische
spanning polariseren ze bij Bouwmann
tot bruikbare elektrische energie. Ze
kunnen worden omgezet in overunity
warmte zoals bij Griggs, of ook tot
een dynamische elektrische ontlading
worden verleidt zoals bij Kelvin. De
Testatika vangt m.b.v. de
elektrostatische lading, die
mechanisch wordt opgewekt, met zijn
aftasters de tegengesteld werkende
stroom van polariserende gravitonen op
zodat de machine een self-runner
met overunity wordt. Kelvin
realiseert dat verschil tussen het
begin en het einde van het
bewegingstraject van het vallende
water zoals een bliksemstraal dat doet
en Griggs vindt zijn overunity
hitte via de explosie van de door de
holten in de rotor opgeroepen
belletjes.
Met hun machines
overwinnen de uitvinders niet meteen
de zwaartekracht of de locatie van de
generator in de universele ether als
de magnetische velden niet supersnel
of hypersnel ronddraaien. Men wekt er
allereerst, middels de dynamische
relatie van de gravitonen met de
bewegende magneten energie mee op uit
het vacuüm. Alleen het Searl effect
kent antigravitatie door superrotatie.
De twee uitzonderingen gevormd door de
frequentiebeînvloeding van Sweet met
zijn generator en van Huchison in zijn
antigravitatie-experimenten zijn,
omdat ze geen van beiden berusten op
rotatie, minder te verkiezen volgens
de HDT. Zonder rotatie wordt er geen
integron voor het object geschapen
maar slechts weggetrild, de opgewekte
gravitonenstroom verdringt dan het
integron en dat kan rampzalig
uitwerken op de integriteit van de
elektromagnetische materie van de
gebruiker. Het zou zelfs een
desintegratiewapen kunnen vormen.
Wat betreft de
ethermachines tot dusverre besproken
is er samenvattend dus sprake van
energiewinning door het omzetten van
de natuurlijke gravitonendruk: E+Egd=
ouE. Ofwel: een basisenergie (E) die
gravitonen weet aan te trekken levert
overunity energie (ouE) op bij
omzetting van de gravitonen die van
nature toestromen door de
integron-gravitonendruk van de
zwaartekracht (Egd). Anders gesteld
kan je zeggen: de druk van de lineaire
tijd (Egd) levert overunity energie op
(ouE) als een na opstart de door het
systeem gehandhaafde basis-energie
door een cyclisch proces gravitonen
weet aan te trekken. De aangewezen
methode voor het aantrekken van de
gravitonen is de rotatie van
magneetvelden, lucht of vloeistoffen.
Lineaire systemen die destructief zijn
met het integron, d.w.z het integron
niet opbouwen en herintegreren, ofwel
een eigen zwaartekrachtveld vormen,
geven bij schaalvergroting problemen,
ook al kunnen ze op kleine schaal voor
particulier gebruik nuttig zijn. De
ethermachines zijn gravitonenpompen
die de lineaire tijd omzetten in
cyclische tijd. Die cyclische tijd kan
elektrische of mechanische energie
opleveren, maar kan in meer
ontwikkelde toepassingen rechtsreeks
materie produceren. Het klonen of
reproduceren van bestaande materie als
een soort van versnelling van de
natuurlijke expansie van de materie is
mogelijk in de HDT. De
natuurlijke lokale elektrische werking
van de kristallen van Huchison valt
ook onder deze definitie. Door de
geordende structuur van de kristallen
rangschikken de gravitonen zich
zodanig dat ze, als met een
elektrische impuls het kristal geladen
wordt, een geordende
gravitonen-onzekerheid opleveren. Het
onzekere kristal zoekt via een
elektrische potentiaal dat vanuit zijn
ordening ontstaat dan zijn oude
zekerheid weer. Afhankelijk van zijn
structuur kan het kristal mogelijk
lang of kort die onzekerheid
vasthouden, ongeveer zoals de ene stof
beter magnetiseert dan de andere stof
(x). Oppervlaktevergroting door
het vergruizen van het kristal levert
meer potentiaal op. Dit is wat
Huchison laat zien in zijn Crystal
Energy Cell demonstratie. De radiant
energy zoals van Tesla, Moray en
het staafeffect (iv) is dan
niets anders dan het rechtstreekse
aanspreken, via metalen platen of
combinaties van metalen in een diode,
van het potentiaalverschil tussen de
lineaire ether van de tijdruimte (de
'neutrino's' etc.) en de cyclische
gravitonenflux van de cyclische ether
of kromme ruimte oftewel het
aardmagnetisme. In dit laatste geval
is de aarde de draaiende magneet en
zijn eigen constructies van draaiing
overbodig. De aarde pompt a.h.w. al
zijn eigen gravitonen. Dergelijke
machines zijn relatief het eenvoudigst
qua principe, ze benaderen het best de
definitie van de ethermachine als
zijnde een ventiel, sluis of klep voor
de ruimte-energie. Daar hebben we dan
wel energie van, maar geen
ruimteschepen. Lang leve ruimteschip
aarde.
Wat nog rest is
het verklaren van de orgone energie
van Reich (iii). Deze is wat
gecompliceerder omdat hier de
antimaterie ofwel het verschijnsel van
het biologisch leven een rol in
speelt. Reich constateerde een
temperatuurverschil van 0.3 - 1 graad
C maximaal tussen organische en
anorganische stof, alsmede een
energetisch, orgonaal effect in
samenhang met aan de basis onderling
verbonden lange metalen buizen in een
z.g. cloudbuster. Ondanks
Einsteins tegenwerpingen geven we hier
Reich het voordeel van de twijfel
ervan uitgaande dat Einstein bij
gebrek aan een theorie van alles (onze
HDT) wellicht last had van het
heersende horizontale denken waaraan
hij met zijn verworven status vast
zat. Reich noemde zijn energie
orgonaal, omdat organische moleculen
de etherische energie meer aantrekken
dan niet-organische moleculen. M.a.w.
het organische zelf vormt een
gravitonenpomp volgens Reich.
Organische materie kent een
holistische integriteit: het heeft,
als het nog leeft, een zelfbewustzijn
en daarmee een vrije wil die de
anorganische materie niet heeft.
Organische materie kan dus verticaal met
een eigen wil opklimmend in het
bewustzijn tot vereniging komen waar
anorganische materie niet zoiets kent.
Organische materie heeft dus een
spirituele tegenhanger; ofwel geest,
intelligentie, lateraliteit, ego,
gevoel en zelfbewustzijn volgens de
HDT. Anorganische materie heeft
weliswaar een gravitonenrelatie ofwel
elektromagnetische eigenschappen en
een ermee samenhangend krachtveld,
maar heeft geen weet van een
spirituele tegenhanger. Anorganische
materie is onpersoonlijk, het is zich,
levenloos als het is, niet bewust van
een parallelle organisatie in de
antimaterie. De antimaterie geeft de
materie samenhang, integriteit,
zelfcontrole en een motief van
zelfbehoud. De materie geeft
diversificatie te zien in een proces
dat we evolutie noemen. Uitgeëvolueerd
op het materiële vlak bestaat de
volgende stap uit de weg terug naar de
singulariteit via de weg van de
antimaterie. In die evolutie ontstaat
geslachtelijkheid, intelligentie en
geest waaruit dan in de niveaus
erboven de rest van wat de HDT
beschrijft volgt.
Zo
ontwikkelden levende wezens
zelfbewustzijn en controle. Er is als
het ware een kringloop van de zich
differentiërende energie op het
materiële vlak die overloopt in de
zich verenigende energie die van de
verscheidenheid weg beweegt of weer
terug gaat naar de eenheid van het
singuliere op het antimateriële of
spirituele vlak. De spirituele
evolutie neemt het over van de
materiële. Charles Darwin
(1809-1882) heeft geen ongelijk
volgens de HDT, maar beschrijft
slechts het materieel
diversificatieproces van organismen,
niet hun realisatieproces waarin ze
hun oorspronkelijke eenheid in het
voorbije zoeken en vinden. Vanuit een
oerstof ontstaan we, maar we
we keren er ook weer naar terug. Het
zijn evolutionaire ideeën die terug te
vinden zijn in de opvattingen van
presocratische natuurfilosofen als Democritus (460-370-80 vChr.),
bij de duitse romatische filosoof, de
'transcendentaal idealist' Friedrich
von Schelling (1775-1854) en bij de
franse theoloog en paleontoloog Pierre
Teilhard de Chardin (1881-1955). Door die
intelligentie van het zoeken van
symmetrie met het materiële zonder dat
de verscheidenheid van de materie
wordt verloren - een verschijnsel wat
je de organische wet zou kunnen noemen
- hebben organismen hun bestaansrecht
met een greep op de materie en bereikt
de evolutie die zo met de persoon een
volgende fase ingaat volkomenheid. In
die volkomenheid vormt het levende
wezen een binnen-buitenafgrenzing, een
dipool van eenheid of tijdloosheid die
staat tegenover de verscheidenheid of
tijdelijkheid, een dipool die op
basaal niveau al vanaf het begin van
de schepping bestond. Het
zelfbewustzijn wordt gevonden in een
realisatieproces, het wordt niet
geconditioneerd van buitenaf als een
aanvulling op de materie. Er is dus
wel degelijk een 'intelligent design'
van een zich manifesterende spirituele
antimateriestructuur volgens de HDT.
Zo'n design wordt ook geïllustreerd
door het verschijnsel van
verschillende humanoïden op
verschillende planeten zoals de
Disclosure Group bevestigt. Wat de
britse bioloog Rupert Sheldrake morfische resonantie noemt geldt dan als
een aanduiding van de aanwezigheid van
het intelligent kosmisch ontwerp, een
elders geëvolueerde vorm die model
staat voor de ideale organische vorm:
de humanoïde vorm, een vorm waar een
schilpad, een spin, een aap, of welke
organische levensvorm op een andere
paneet dan ook met hetzelfde
evolutionaire recht naar toe kan
evolueren (Ninja Turtles for real!).
De zwitserse best-sellerauteur Von Däniken met zijn stelling dat
de goden kosmonauten waren die onze
soort misschien dan minder morfisch
gestalte gaven kan daarbij ook heel
goed gelijk hebben. Waarom zou de
natuurwet niet gelden die stelt dat de
hoger geëvolueerde integriteit
dominant is t.o.v. de lagere soort tot
op het verschijnsel van hogere en
lagere humanoïden toe? De menselijke
vorm mag dan superieur zijn, maar dat
houdt nog niet in dat homo sapiens de
superieure humanoide is, de god der
mensen zou zijn (ookal kan dat ook wel
zo zijn natuurlijk, wij hebben immers
geen vliegende schotel voor het
paradijs nodig waar we al zijn).
De tegenstelling tussen
de materie en de antimaterie was de
eerste in de schepping. Eerst was er
het singuliere waarin alles één is.
Toen was er pure energie, de donkere
materie die we tijdruimte noemen
alsmede het bewustzijn ervan als de
eerste anti-materiële tegenhanger.
Toen splitste de lineaire tijd zich op
qua richting en werd de universele
ruimte geschapen waarbij het ego zich
losmaakte van de gelukzaligheid van
het zefbewustzijn, van de
gelukzaligheid van het geheel. Toen
pas kwam er, als condenserende
waterdruppels, de cyclische materie
der manifestatie door het wervelen van
de tijdenergie die in tweeën splitste
omdat ze geen evenwicht kon vinden. De
gebroken symmetrie ligt aan de basis
van de schepping zo stelt de
gevestigde natuurwetenschap het
vandaag de dag zoals we al zagen. Die
materie combineerde tot organismen die
blijk gaven van de gelijktijdig
ontwikkelde verscheidenheid van de
sprituele, tijdloze antimaterie. Pas
met de cyclische manifestatie van de
materie is er sprake van krachten die
met die materie werkzaam zijn. Simpel
gezegd was er na het Ene eerst de
donkere energie, toen de tijdrichting,
en toen pas een materieel
krachtenspel; energie, tijd en
kracht ofwel: de pradhâna,
akasha en shakti van de
drie Vishnu's, de oerether, de
universele ether en de lokale ether
zoals we die al besproken. Spiritueel
is er parallel daaraan vanuit de Ene
zelfbewustzijn, dan ego en dan de
seksuele tegenstelling met een geest
en een intelligentie; zelfbewustzijn,
ego en wijsheid (vergelijk:
de natuurlijke geaardheden in het
Spel van de Orde). Pas
in de evolutie van het organisme toont
zich de orgone energie die het
resultaat is van de aangeboren neiging
tot verenigen, het verlangen terug te
keren naar het singuliere of naar de
op de achtergrond steeds aanwezige
God, zoals men de integriteit van het
Volkomen Geheel is gaan noemen. Bij
spirituele vereniging komt immers
energie vrij, de energie die
opgesloten zat in de conditioneringen,
net zoals dat materieel het geval is
bij het tot water verbranden van
waterstof en zuurstof.
De
schematische voorstelling van de
orgonaccumulator van Reich
Zoals de
vedische klassieken het stellen: damp
of lucht geeft vuur en vuur geeft
water. Zo ook geeft de omkering van de
evolutie in de devolutie van de
antimaterie hitte die aan de
binnenkant ontstaat waar de vereniging
plaats vindt. De energie van de
evolutionaire druk moet ergens heen en
ontwikkelt zo dan warmte. Zo zijn
organismen warm in de biochemische
vereniging van hun etherische,
organisch afgegrensde water en draagt
de organische materie ervan nog heel
lang die warmtecapaciteit in zich als
het leven er al uit verdwenen is.
Iedereen weet dat een wollen trui
'warmer' is en 'beter ademt' dan een
synthetische trui. Maar kunnen we dit
gevoel technisch goed verklaren vanuit
de horizontale logica van het
niet-hiërarchisch denken volgens het
oude wetenschapsmodel? Nu moeten we
eerlijk zijn en niet arrogant de
geldigheid van het horizontale denken
als bewijs voor de ongeldigheid van
het verticale HDT-denken naar voren
schuiven. Het warmte-effect, dat er in
de orgonale experimentele opzet zoals
in de afbeelding hierboven weergegeven
werkelijk is, is te verklaren uit de
antimateriële, hiërarchische devolutie
die in de vereniging in principe
warmte doet ontstaan. Hoe dat bij wol
en katoen zo kan zijn van een
organisme dat al dood is laat zich
verklaren als een gravitonenlading
waarmee de antimaterie in het levende
wezen evenwicht hield, en die in
principe kan verdwijnen in de loop van
de tijd. Zo kan verse wol een hoger
temperatuurverschil opleveren dan oude
wol. Dat moet experimenteel worden
onderzocht.
Er bestaat zoiets als spontane
zelfontbranding van mensen waaruit
blijkt dat de controle op het
organisch/etherisch hitteproces weg
kan vallen. Hoe weten we niet precies.
Een voorbeeld van een geslaagde
organische hittebeheersing wordt
gevormd door mediterende monniken.
Sommige monniken in de Himalaya's
kunnen naakt in de vrieskou mediteren
zodat de sneeuw om hen heen smelt. Ze
genereren puur hitte omdat ze
gravitonen kunnen produceren door hun
spirituele vereniging. Ze worden dan
niet magerder dan normaal, maar boeten
wel in aan handelingsvermogen. De
levensenergie moet ergens heen. De
materie op zich lukt dat niet omdat
die immers onder de evolutionaire druk
staat van het diversificatieproces
waarin de krachten elkaar gescheiden
houden. In de devolutie echter gebiedt
de ziel een einde te maken aan de
diversificatie die dan karma of
resultaatgericht bezig zijn heet. In
deze vereniging noemt men de warmte
spiritueel geluk en liefde. Dat is wat
we ervaren als we zondagen vieren:
geen karma meer maar vereniging zonder
vruchtdragende bezigheden. Dan is er
de liefde en de warmte van het
samenzijn dat niks anders wil dan dat.
De normale principes van de
thermodynamica in de natuurkunde
hebben betrekking op de horizontale
processen van het binden en ontbinden
van energie. Verticale hiërarchische
evolutie of devolutie van energetische
verschijnselen in de materie vallen
buiten die zienswijze. Verticaal is
materialiseren en dematerialiseren een
normaal iets. Zo is de evolutie en
haar tegenhanger nou eenmaal.
We komen ergens vandaan en keren ook
weer ergens naar terug. In het
verticale bindt de energie zich
evolutionair stapsgewijze in de
diversiteit van de materie terwijl in
de antimateriële vereniging die
energie vrijkomt als bindmiddel van
liefde en geluk voor het ego dat tot
zelfbewustzijn moet komen. Zo zijn we
dan perfect logisch met de aanname van
het graviton met zijn universele
krachtveld, of beter gezegd zijn
tijdruimtelijke werkelijkheid of
ruimtebereik, als de materiële
parallel van het ego met zijn
gelukzaligheid van seksuele
vereniging. Van belang in dit verband
is te onthouden dat je de ruimte als
een vorm van materie kan zien en
andersom, net zoals je tijd en materie
als omvormingen van elkaar kan zien.
Tijd, ruimte en materie definiëren
elkaar als zijnde de basiselementen
van de zichtbare werkelijkheid:
materie is tijdenergie die een
bepaalde ruimte inneemt.
Sommige
wetenschappers noemen religie en
meditatie een regressief proces, maar
regressie is niet het juiste woord.
Devolutie is het juiste woord. In het
Engels betekent het het delegeren van
centrale overheidstaken naar regionale
besturen, maar hier willen we deze
term gebruiken voor een natuurlijk
proces van innerlijke vereniging met
behoud van uiterlijke verscheidenheid
en structuur. Regressie suggereert in
een horizontale visie het uiteenvallen
van de structuur van de materie in de
richting van een voorgaand stadium.
Maar devolutie keert alleen maar de
gang van de evolutie naar binnen
waarbij de verscheidenheid niet
verloren gaat: er is dan verticaal
'verval' in de zin van het niet verder
tot resultaten komen. De energie wordt
aangewend voor het geluk en het
zelfbewustzijn, voor de stabiliteit
van het huwelijk en de harmonie van de
geest en de intelligentie. Rituelen
zijn er dan om contact te houden met
de werkelijkheid en een teveel aan
energie af te voeren om
'zelfontbranding' of ongewenste
zelfverhitting te voorkomen. Iedere
cultuur van geestelijke vereniging
kent rituelen en offerplechtigheden.
Horizontaal denkend begrijpt men dat
niet en denkt men dat er iemand ergens
voordeel zit te behalen met de
religieuze truc. Maar de meeste
spirituele oefeningen zijn heel goed
alleen te volbrengen zonder aandacht
van anderen. Dus die redenering gaat
niet op. De essentie van de
energiekwestie zoals hier besproken is
dat we van de (relatieve) ether
mechanisch-experimenteel of organisch
in geestelijke vereniging energie
krijgen en harmonie vinden. De
voorstelling van zaken dat het
allemaal bedrog is van mensen die je
alleen maar geld en je energie - of
zelfs je intelligentie of integratie -
kosten, wijzen we hier radicaal af als
een vorm van ziekelijke achterdocht of
jaloezie, een product van een verkeerd
tijdbewustzijn. Religies mogen dan
oude koek zijn en de religieuze boeken
vol staan met metaforen en
allegorieën, maar ze vormen nog steeds
een essentiële basis van etherische
energiewinst waarop de cultuur gedijt.
De energiekwestie is in psychologisch
opzicht opgelost als we de orde van de
tijd helder voor ogen krijgen zoals
die er in de natuur is. Met het
oplossen van de psychologische
problematiek van een foute
conditionering staan we dan vanzelf
voor de volgende praktische stap in
onze culturele evolutie: het vervangen
van verbrandingsmotoren door
kwantummechanische vacuüm- of
ruimte-energie omzetters ofwel
ethermachines die werken op basis van
een experiment dat de relatieve ether
als een energiebron bevestigde. Dat
experiment moeten we zien te
realiseren zodat al deze theorie en de
bijbehorende speculaties en hypothesen
tot repliceerbare machines leidt,
ofwel werkt, en dus ten minste
gedeeltelijk, in haar grondslagen dan,
geldig is. Tot die tijd zullen we het
met zonne-energie moeten doen als de
vorm van duurzame energie die het
dichtst bij de directe winning (of
omzetting) van de relatieve
ruimte-energie staat.
Willen we dus
begrijpen wat Reich aan het doen was,
dan moeten we de verticale denktrant
achten. Hij zag duidelijk een verband
tussen orgone energie en seksualiteit.
Hij veronderstelde dat een persoon
blootstellen aan orgone energie in een
van zijn accumulators de persoon zou
genezen van impotentie en dergelijke.
Het zich seksueel
verenigen vormt tantrisch, d.w.z. meditatief
geweldloos niet op een resultaat
gericht, in de HDT een van de twee
toegangspoorten - de z.g. dyonisische of hedonistische weg -
die de geestelijke vereniging mogelijk
maakt. De andere weg is die van de
geestelijke verenging in de
intelligentie: de
apollinische weg. Men spreekt ook van
van links-handige
en rechtshandige tantra yoga in dit verband.
En die twee keuzen zijn er voor de
beginners. Zo gauw er ego bij ontstaat
is het afgelopen volgens de HDT.
Mediteer je op de seks, dan verenigt
zich de intelligentie met de geest tot
ego. Evenzogoed kan je ook merken dat
met intellectuele arbeid die niet op
resultaten is gericht een celibataire
weg kan worden ingeslagen: de seks kan
een storende factor worden omdat die
de aandacht voor het 'hogere' teveel
afleid. Het ego of ik-besef dat
ontstaat uit de geestelijke vereniging
staat tegenover het geluk dat men
zoekt in de seksuele vereniging. Het
is volgens de HDT een onvermijdelijk
neveneffect a.g.v. de dualiteit van
het geheel. Dus tenzij men in het
volgende stadium het ego samenvoegt
met het geluk zonder verder nog de
seks erbij te halen, kan er geen
stabiel zelfbewustzijn ontstaan dat de
controle over de materie mogelijk
maakt die de mens nodig heeft om zijn
vrije wil niet-destructief uit te
oefenen en zo vreedzaam in harmonie
met de natuur en met elkaar voort te
kunnen bestaan. Na de seksuele
meditatie komt de egomeditatie, na het
seksgeluk komt het egogeluk. Egogeluk
is zelfbewustzijn, is individuele
ziel. De materiële parallel daarbij is
dat de energiewinst en warmtewinst uit
de materiële vereniging op organische
basis de omzetting van gravitonen
ofwel van orgone, ongerichte energie
inhoudt op materiële basis. In strijd
met de principes van de thermodynamica
als een dergelijke energiewinst is, is
dat niet in strijd met de HDT. Orgone
energiewinst is niets anders dan het
omkeren van de kracht van de evolutie,
een omkering waarin gravitonen worden
teruggewonnen door de diversificatie
of het karmisch streven naar
resultaten op te geven. Voordeel:
materieel is er thermische energie en
vitale harmonisatie en spiritueel is
er een toename van de synergie omdat
er meer liefde en geluk is en het ego
tot zelfbewustzijn kan komen. Dit
strookt dan met Reich's claims dat
zijn accumulator mensen zou genezen
van verkoudheden, kanker, en seksuele
klachten.
Bij de orgone
energieproductie is er samenvattend
dus allereerst de tantra, dan wel de
intellectualiteit, van het overstijgen
van de geest en het seksuele en is er
vervolgens in de niveaus hoger in de
individuele ziel het verenigen van het
ego in het geluk. Tenslotte moet ook
de individuele ziel zijn eeuwigheid
zoeken in de meer duurzame en
permanente bevrijding in het
singuliere zelf van het universum: de
Superziel van wat de persoon
oorspronkelijk is als een vereniging
van alle materie, ruimte en tijd. In
spiritueel opzicht is de HDT in
overeenstemming met de inhoud van de
wetenschap van de tantra en de yoga:
eerst is men pas'u-tantrisch
puur seksueel om de geest een ik te
geven, dan is men vira-tantrisch
meer met de yoga bezig om het geluk
een ziel te geven en tenslotte is men
divya-tantrisch met zuivere
toewijding meer als een monnik
overwegend celibatair bezig om het
zelfbewustzijn tot Godbewustzijn te
brengen. En zo is dan de tijdloze
devolutie compleet zonder dat er
regressie plaats vindt op het
materiële vlak.
Met deze laatste directe
energiegenerator van Reich kunnen we
dan besluiten dat de technicus een
mens met zelfbewustzijn is die zich
niet buiten de machine heeft gesloten.
Wat we van Reich kunnen leren is dat
de mens zelf de belangrijkste
generator is van vrije energie, vrij
energie die we nodig hebben om meer
synergie te vinden met elkaar en zo
gezamenlijke problemen op te kunnen
lossen. Bij Reich zien we organisme en
mechanisme in elkaar overgaan en zo
vormt hij een mooi sluitstuk in de
energiekwestie. Wellicht duurt het nog
dertig, veertig jaar eer we
vrije-energiemachines in de winkel
kunnen kopen. Technologie ontwikkelen
voor de consument kost nu eenmaal veel
tijd en inspanning. Zijn z.g.
cloudbuster om het klimaat te
beheersen laten we hier als een
karmische excentriciteit van hem
voorlopig nog even buiten beschouwing.
Het lijkt niet direct van belang voor
het onderwerp van de energiekwestie om
wolken uiteen te drijven, ook al is er
wel een verband met het
klimaatprobleem. Het klimaat laten
herstellen door het minder te storen
is meer het plan.
Als conclusie kunnen
we stellen dat de held in ons verhaal
het graviton-deeltje is: het
onzichtbare en massaloze deeltje
cyclische tijdenergie met zijn diffuse
lading en spin. Volgens de formele
natuurkunde is, in het raamwerk van de
kwantum veldtheorie, het graviton een
hypothetisch elementair deeltje dat de
zwaartekracht overdraagt, en dat doet
het via wat we het integron ofwel het
lineaire effect van de ruimtedruk
hebben genoemd. Het deeltje niet
kennend hoopt men het in
deeltjesversnellers aan te tonen. De snaarheorie
voorspelt het bestaan van gravitonen
namelijk alsmede hun duidelijk
omschreven interacties. Maar de HDT
stelt dat manipulatie van het graviton
niet mogelijk is zonder het in een
ander deeltje om te zetten, net zo min
als de snelheid van het licht als een
materiële grootheid kan dienen voor
het bewijs - of weerleggen - van de
ether als een zijnde een
niet-materieel, maar protomaterieel
verschijnsel. Je vergelijkt appels met
peren en dat gaat niet in de HDT, in
de HDT moet je anders rekenen op een
ander nivo van de hierarchie der
manifestatie. Het zijn de effecten die
we hier hebben besproken die het
experimenteel bewijs van het graviton
vormen. Ronddraaien of vibreren van
magneetvelden geeft energie, doet iets
met de zwaartekracht en kan de
tijdruimte vervormen. Maar een flesje
gravitonen blijft gewoon een flesje
met een vacuüm. Een leuke beschrijving
van het graviton vonden we op YouTube.
Een jonge amerikaanse vrouw zonder
enige kennis van de natuurkunde had
een droom en vertelt erover in een
filmpje genaamd: Random Thoughts -
What is a Graviton?. Ze zag een deeltje in
de vorm van een kraal en daarin een
boom als een DNA-streng geprojecteerd.
Daarop vroeg ze zich af: 'God are
you telling me that the nature of
the universe is contained in a graviton
particle?" De HDT geeft haar
gelijk, heel het universum treft men
aan in de ruimte die gevormd wordt
door het graviton.
De
energiekwestie is, met inbegrip van
zijn innovaties en de HDT-verklaring
met het accepteren van de realiteit
van de orgone kwaliteit, zoals we
zagen tevens een kwestie van hoe we
met onze persoonlijke energie omgaan:
zijn we naar boven gericht op
onbaatzuchtige, geestelijke liefde en
innerlijke vereniging met de
persoonlijke en maatschappelijke
voordelen daarvan of zijn we vol van
wedijver gericht op het krijgen van
biologische of geesteskinderen die de
materiële continuïteit van onze
beschaving moeten zekeren? Het
antwoord is dat de ladder van Jakob
naar boven zowel als naar beneden kan
worden gebruikt. Het is zoals we het
in De
Ether Bestaat! (Aadhar 2006) al zagen
meer een z.g. Eschertrap: het
opklimmen is tegelijkertijd het
afdalen. Dàt is evolutie en verfijning
in harmonie. En daar gaat het om. Voor
onze vooruitgang als mensheid in zijn
geheel is het verticale HDT-begrip van
de relatieve ether in ieder geval van
essentieel belang als we de kwestie
van de directe energiewinning en de
klimaatbeheersing willen aanpakken.
Voor het verklaren waarom er met
directe transformatie elektrische of
mechanische energie verschijnt zullen
we ons in deze richting moeten
bewegen. Als we namelijk niet de
energiebron kennen, maar met een
vinding als van de boven beschreven
ethermachines wel energie weten op te
wekken, ontstaat het merkwaardige
probleem dat we handen hebben die met
het uitvinden intelligenter blijken te
zijn dan onze hersens kunnen bijbenen:
handen die slimmer zijn dan hersens.
Het kindje is er al maar kan nog niet
nadenken. Met de ethertechnologie
staan we, zoals ook Bearden dat
bevestigt, absoluut nog in de
kinderschoenen. Het bespreken daarbij
van een mogelijke free energy
suppression samenzwering van
zittende financiële machten die
repressief zouden zijn is dan minder
van belang dan het doorgronden van de
psychologie van het paradigmaconflict
binnen een en dezelfde persoon. Als
die psychologie, die zoals we zagen
samenhangt met de orde
van de tijd, is doorgrond bereiken
we de integratie van de culturele
persoon en verliest de achterdocht
zijn macht, hoe reëel de dreigingen
ook waren die symptomatisch zijn voor
de onwetendheid rondom een
evolutionair onvermijdelijke
vernieuwing.
-

|